Personal tools
You are here: Home Uitgaven Trefwoord Jaargang 1999 erflaters van de ned taalkunde
Document Actions

erflaters van de ned taalkunde

ERFLATERS VAN DE NEDERLANDSE TAALKUNDE
De Vries, Te Winkel en hun Woordenboek
Lo van Driel & Jan Noordegraaf
Toen de eerste aflevering van het Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1864 verscheen, waren twee leden van de oorspronkelijke redactie nog actief: M. de Vries en L.A. te Winkel. De Leuvense kanunnik J.B. David was in 1863 teruggetreden en enkele jaren daarna overleden. Maar toen in 1882 het eerste deel van het WNT (A-Ajuin) compleet was, was inmiddels ook Te Winkel overleden.
Aan De Vries en Te Winkel komt de eer toe de grondleggers van het fameuze Woordenboek te zijn. In dit artikel willen we het WNT in een historiografische context plaatsen en van de beide leden van de "de firma de Vries en te Winkel" (Multatuli) een biografische schets geven.
De vorming van een redactie
Volgens De Vries moest de zetel van het Woordenboek in Leiden zijn, "daar waar al de papieren van Letterkunde liggen" en een overvloed aan boeken is. Bovendien hield hij er ongetwijfeld rekening mee dat hij binnen twee jaar - dat is in 1853 - zijn Groningse leerstoel zou kunnen inruilen voor die te Leiden. Zo kwam, als vanzelf, de figuur van L.A. te Winkel in beeld, de vroegere huisleraar uit Friesland die door De Vries bij de Curatoren van het Leidse gymnasium krachtig was aanbevolen. De Vries polst de pas benoemde Leidse onderwijzer in de Nederlandse taal. Na diens positieve reactie en met instemming van David doet hij vervolgens de Permanente Congrescommissie het voorstel om Te Winkel tot redacteur van het Woordenboek te benoemen. Op 20 november 1851 schrijft Te Winkel geroerd aan de "Hooggeleerde Heer en Vriend" De Vries dat hij blij verrast is met zijn benoeming tot redacteur van het Woordenboek; zijn eigenliefde is er niet weinig door gestreeld. Hij belooft zijn "geringe krachten en vermogens aan de heerlijke taak te zullen wijden" - tot de dood erop volgt, kunnen we er nu wel aan toevoegen. Te Winkel blijkt verguld met het feit dat de Groningse hoogleraar hem "de hand van vriendschap" reikt, die hij dankbaar aanvaardt.
M. de Vries
Matthias de Vries was de tweede zoon uit het huwelijk van de doopsgezinde predikant Abraham de Vries en diens echtgenote Hillegonda van Geuns. Hij werd op donderdag 9 november 1820 geboren te Haarlem. De familie De Vries behoorde tot de kleine, protestantse intellectuele elite in de Nederlandse standenmaatschappij uit die dagen en beschikte over een uitgebreid netwerk van relaties in universitaire en literaire kringen.
In 1838 vertrok de jonge Matthias de Vries naar Leiden om klassieke talen te studeren. Zijn belangstelling voor de studie van het Nederlands blijkt onder meer uit het feit dat hij op 24 januari 1839 het vakdispuut Belgicis Literis Sacrum oprichtte, een gezelschap dat zich vooral bezighield met de bestudering van de Middelnederlandse letterkunde. De Vries was een ijverig student, die al vroeg als publicist actief werd op het gebied van het Middelnederlands. Na twee academische prijsvragen te hebben gewonnen, promoveerde hij in 1843 summa cum laude op een klassiek onderwerp. Hij bezorgde vrijwel tegelijkertijd een editie van Hoofts Warenar en begon nog in hetzelfde jaar aan een uitgave van de dichtwerken van Jacob Cats, waarvan hij de latere delen aan De Jager zou overlaten. Een ander interessant wapenfeit uit die tijd is de oprichting van de `Vereeniging ter bevordering der oude Nederlandsche letterkunde'. Die vond plaats op 4 oktober 1843, ten huize van De Vries aan het Rapenburg.
De Vries' maatschappelijke carrière verliep aanvankelijk stroef. Enkele malen poogden welgezinde hoogleraren hem aan een Leids lectoraat te helpen. Zijn eerste betrekking kreeg hij mede op voorspraak van professor Siegenbeek, een oude studievriend van zijn vader. Eind 1846 werd De Vries benoemd tot tweede praeceptor (leraar in de lagere klassen) aan het Leidse gymnasium. Maar zijn hart lag niet bij het middelbaar onderwijs. "De vurigste wensch van mijnen geest" was "dat ik aan de studie onzer taal al mijne krachten zou mogen wijden", heet het eind 1847 in een brief aan de invloedrijke H.J. Koenen, wethouder van Amsterdam en curator van het Athenaeum Illustre. De jonge leraar Nederlands en geschiedenis voelt zich "overladen met ene last van practicale bezigheden en van allerlei arbeid, die mij rusteloos voortjaagt en mijne krachten ondermijnt". Het is een grammofoonplaat die de komende decennia grijs gedraaid zal worden.
Toen de leerstoel Nederlands en geschiedenis in 1847 aan "het kleine Deventersche Athenaeum" (H. Kern) vrijkwam, moest De Vries nog de voorrang geven aan zijn oud-studiegenoot W.J.A. Jonckbloet. Bij de vacature die in 1849 in Groningen ontstond door het overlijden van de hoogleraar Nederlands B.H. Lulofs, stond de naam van Jonckbloet als tweede op de voordracht; de leerstoel viel aan De Vries toe. Vier jaar later vertrok De Vries naar Leiden om de leerstoel Nederlands en geschiedenis van J.M. Schrant over te nemen; ook hier verloor Jonckbloet de slag. De vriendschap werd verbroken toen De Vries in 1864 de door Jonckbloet zorgvuldig voorbereide benoeming van J. van Vloten als hoogleraar Nederlands te Groningen wist te verijdelen en er zijn eigen kandidaat en intimus H.E. Moltzer benoemd kreeg. Uit die dagen dateert Van Vlotens invectief "kathederboefje" voor de ontrouw bevonden vriend De Vries, die inderdaad ook voor die tijd "klein van gestalte was" (J. Verdam).
Als hoogleraar te Leiden slaagde De Vries erin in de loop van de tijd diverse onderdelen van zijn leeropdracht af te stoten, zoals de vaderlandse geschiedenis. Het is mede door zijn toedoen dat in 1876 het doctoraat Nederlands wordt ingesteld. De Vries' glorietijd ligt in de kwart eeuw tussen 1850 en 1875; daarna loopt zijn "prodigieuze werkkracht" (W.P. Gerritsen) zichtbaar terug. Ouder geworden boette hij in aan de voor een woordenboekschrijver zo onmisbare "assiduïteit" [het vermogen om te volharden], zoals Verdam het tactvol uitdrukt. De laatste jaren voor zijn emeritaat zijn zwaar als gevolg van een reeks gezondheidsproblemen. In de winter van 1891-92 komt hij de deur niet meer uit. Zelfs "het schrijven valt den bevenden astmalijder moeilijk", luidt het ten slotte begin 1892 in een brief aan zijn oud-student Jan te Winkel. Dinsdagavond 9 augustus 1892, omstreeks elf uur, sterft Matthias de Vries; "na een langdurig lijden", zo laat de familie op de rouwkaart weten.
Het WNT was niet het enige lexicografische project dat De Vries onder handen had. Op het rommelige germanistencongres te Frankfurt in september 1846 had hij een voordracht - in het Nederlands - gehouden waarin hij onder meer zijn plannen voor een "Middel-Nederlandsch Woordenboek" uiteenzette, een project "voor hetwelk hij sints jaren de bouwstoffen verzamelt". Eenmaal tot hoogleraar in Groningen benoemd, verwachtte hij meer tijd voor het vak te hebben. "Nog in de aanst. vacantie denk ik aan een Mnl. Woordenboek te beginnen. In drie jaren moet het klaar zijn, hoop ik", schrijft De Vries op 25 januari 1850 opgewekt aan zijn correspondent J.A. Alberdingk Thijm.
In 1856 verscheen De Vries' Proeve van Middelnederlandsche taalzuivering, zijn "Voorbereidende opmerkingen voor de aanstaande uitgave van een Middelnederlandsch Woordenboek". Pas in 1864 zag zowel de eerste aflevering van het Middelnederlandsch Woordenboek als de eerste aflevering van het Woordenboek der Nederlandsche Taal het licht. Een tweede aflevering van het MNW volgde het jaar daarop. In 1856 had De Vries te verstaan gegeven dat het werken aan het MNW voor hem prioriteit had: het MNW moest immers aan het WNT voorafgaan. Dat hij het werk aan "'t Mnl. Wdb." ten slotte moest opgeven, "het hoofddoel van mijn leven", en voorrang moest geven aan het WNT heeft hij dan ook niet dan knarsetandend kunnen accepteren. Het WNT was hem tot "slavenjuk" geworden. Men kan niet zeggen dat hij niet gewaarschuwd was. Maar management is nooit de sterkste kant van Matthias de Vries geweest en de Haarlemse domineeszoon is zo gebracht waar hij niet wilde zijn. De charmante ritselaar en ijverige briefschrijver was een "philoloog van Gods genade" (Cosijn) die onder zijn eigen lexicografische projecten gebukt ging.
L.A. te Winkel
De vader van Lammert Allard te Winkel, die geboren werd te Arnhem op 13 september 1809, was schilder en glazenmaker. Lam(m)ert groeide (om onbekende redenen) op bij zijn grootmoeder. Na in zijn geboortestad een lagere school te hebben gevolgd, kwam hij daar op de kostschool van C.J. de Jong waar hij werd opgeleid tot hulponderwijzer. In 1827 werd hij benoemd aan de Franse kostschool van J. Lagerwey te Geertruidenberg.
Gedurende de tien jaar dat Te Winkel in Geertruidenberg werkte, uiteindelijk als eerste secondant, studeerde hij voor de vier gebruikelijke onderwijzersrangen, met enkele aanvullende diploma's. Zo'n studieuze periode van ongeveer tien jaar lijkt erg op die van tijdgenoten: de geleerde onderwijzers en taalkundigen Arie de Jager (1806-1877), Antonie C. Oudemans (1798-1874) en Johan H. van Dale (1828-1872). Aan het eind van zijn onderwijscarrière te Geertruidenberg - Te Winkel bereidt zich voor op een sollicitatie als hoofd ener school - zoekt hij per brief contact met De Jager en biedt hem een artikel aan voor het Taalkundig Magazijn. In 1837 verschijnt daarin Te Winkels eerste publicatie.
Na een mislukte sollicitatie maakt hij een eind aan zijn pogingen in het onderwijs carrière te maken. Via een advertentie zoekt hij een plaats als huisonderwijzer bij een gegoede familie, wat vaak voorkwam in die tijd. Hij heeft onmiddellijk succes. In september 1837 begint Te Winkel te werken in het gezin van de burgemeester van Pietersbierum (noordwestelijk van Franeker), mr. A.T.R. Sixma van Heemstra. De derde zoon van deze familie erft van een tante een prachtig landgoed te Veenklooster bij Kollum, niet ver van Buitenpost. De familie en ook Te Winkel verblijven hier geregeld en na 1842 permanent. Te Winkel is belast met de opvoeding en opleiding van de vijf jonkers. Hij bereidt ze voor op een universitaire studie. Ondertussen studeert hij ook zelf intensief. Op kosten van zijn broodheer volgt hij lessen bij verschillende classici. Hij publiceert in die tijd niets, tot langzamerhand het opvoedingswerk gedaan is. Dan zoekt hij in 1847 weer contact met De Jager voor een serie publicaties in het Archief voor Nederlandsche Taalkunde (1847 tot 1852). Ook verschijnen er vanaf dat jaar stukken in het Magazijn van Nederlandse Taalkunde.
De Jager, die Te Winkel nog steeds niet persoonlijk kent, suggereert dat hij eens kennis moet gaan maken met Matthias de Vries, die in augustus 1849 tot hoogleraar in Groningen benoemd is en bij wie een pupil van Te Winkel de propedeuse-colleges loopt. Overigens moeten Te Winkel en De Vries elkaars artikelen hebben gelezen, voordat ze in Groningen in januari of februari 1850 met elkaar kennis hebben gemaakt. De Vries stelt in het voorjaar van 1850 Te Winkel voor als kandidaat-lid van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde en wijst in mei 1850 de bescheiden vrijgezel op de vacature van `onderwijzer in de Nederlandse taal' aan het Stedelijk Gymnasium, de school waar De Vries voor zijn hoogleraarschap doceerde en voor hem W.G. Brill. Te Winkel aarzelt: het is een deeltijdbaan en het salaris is niet hoog. Desondanks vertrekt hij eind augustus 1851 uit Veenklooster naar Leiden.
In die tijd werkte De Vries aan zijn plan voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Het werken aan het Woordenboek werd niet bezoldigd, het was liefdewerk. Te Winkel vulde zijn matige leraarssalaris aan met de vergoeding die hij kreeg als commissaris voor het Leidse leesmuseum. Na het vertrek van Van den Bergh als bibliothecaris van de Leidse Maatschappij, wordt hij ook in die functie, die redelijk betaald werd, zijn opvolger. Ook gaf hij privé-lessen. Gedurende enkele jaren onderwees hij de Prins van Oranje, de oudste zoon van Koning Willem III en Koningin Sophia van Württemberg, in het Nederlands en de vaderlandse geschiedenis. De prins was op het Instituut Noorthey te Voorschoten geplaatst door zijn vader om hem aan de invloed van zijn moeder te onttrekken en zou daarna te Leiden gaan studeren. Juist in die periode na afloop van zijn Noorthey-jaren en voor en tijdens de eerste universitaire tijd geeft Te Winkel hem les. Hij houdt er de Orde van de Eikenkroon aan over.
Ondertussen werkte Te Winkel dag en nacht. Hij publiceert een onvoorstelbare hoeveelheid artikelen, voert de redactie van het Nieuw Nederlandsch Taalkundig Magazijn, stelt een spellingsgids samen. In 1859 begint hij met Arie de Jager aan het tijdschrift De Taalgids, een voor die tijd modern tijdschrift voor taalwetenschap en taalonderwijs. Zijn hospita van het huis waarin hij bijna tien jaar woont op de hoek van de Langebrug klaagt over hem: meneer werkt tot 2, 3 uur 's nachts en is 's morgens om 6 uur weer achter zijn werktafel. In 1855 wordt hij op voordracht van M. de Vries doctor honoris causa van de Leidse universiteit. De vriend en mede-redacteur van het Woordenboek is nu op niveau gebracht. Op het niveau van het Woordenboek.
In 1860 zal, zo is het plan, de regering het samenstellen van het Woordenboek subsidiëren door het salaris van een redacteur voor haar rekening te nemen. Te Winkel heeft reeds zijn ontslag aangekondigd bij de Curatoren van zijn school, maar de begrotingspost wordt in de Kamer afgestemd. Na een onduidelijk overgangsjaar wordt hij het jaar daarop bezoldigd redacteur van het WNT. Dit blijft hij tot zijn dood op 24 april 1868. IJverig, degelijk, bescheiden en teruggetrokken - zo wordt Te Winkel getypeerd, met de "zucht om zich buiten het gedrang te houden" (Brill). Maar er zijn ook tegenstemmen: Oudemans ziet hem als een angstige opportunist. Zijn optreden op het Taal- en Letterkundecongres van 1865 te Rotterdam noemde Van Lennep "indecent".
Het werk aan het Woordenboek, aanvankelijk in combinatie met zijn halve leraarsbaan en later met zijn redacteurschap van De Taalgids, moet zijn leven volledig gevuld hebben. Brieven beantwoordde hij in die tijd nooit. Hij heeft "het werkzaamste aandeel" (De Vries) in de spelling die voor het Woordenboek geregeld moet worden. Voor De Vries doet hij allerlei praktische klussen voor het Woordenboek, maar zijn hoofdtaak is dan de bewerking van het lexicografisch materiaal. Het verhaal wil dat hij is gekomen tot afspinnen: De Vries heeft er in het WNT nog een mooie noot van gemaakt. Te Winkel kan echter ook het onderwijzen niet missen. 's Zaterdags geeft hij les aan aanstaande onderwijzers. Op zaterdagavond komen zijn oud-leerlingen van het Gymnasium aan huis om ingewijd te worden in het Gotisch. In de omgang was hij buitengewoon bedeesd, op het schroomvallige af, maar in enkele polemieken wist hij niet goed de juiste toon te vinden. Zo ging het mis met De Jager, zijn mederedacteur van De Taalgids, na een uit de hand gelopen discussie over de definitie van het werkwoord.
Op 24 april 1868 sterft hij - hij is een paar dagen ziek geweest en weer aan de beterende hand - met het laatste nummer van De Gids in de hand. De Taalgids is daarna niet meer verschenen.
De spelling voor het WNT
Een van de door De Vries en Te Winkel te treffen voorbereidingen voor de uitgave van het WNT was het regelen van de spelling. Ruim een halve eeuw eerder had Siegenbeek daartoe een poging gedaan, maar deze regeling was voor velen onbevredigend en bovendien niet meer in overeenstemming met de stand van de wetenschap in de ogen van de beide redacteuren. Het regelen van de spelling is voor het grootste deel het werk van Te Winkel. Deze spellingsregeling vormt nog steeds de basis voor de spelling van het huidige Nederlands, hoewel zij juist wat het etymologische aspect betreft - voor De Vries en Te Winkel belangrijk, zo niet essentieel - is aangepast.
Voor de spelling definieerden De Vries en Te Winkel de vier belangrijke beginselen van de spelling-Siegenbeek opnieuw. Daar is in de eerste plaats de regel van de beschaafde uitspraak, vervolgens de regel van de identiteit of gelijkvormigheid, in de derde plaats het principe van de analogie en ten slotte het beginsel van de etymologie. Aan de schrijfwijze van mensch moest de verwantschap met het Duitse Mensch en het Gotische mannisks zichtbaar zijn. Het is deze regel van de afleiding die er voor zorgt dat we nog steeds bijvoorbeeld ei en ij onderscheiden. Immers ei gaat historisch terug op een ee, ei of ai, terwijl ij oorspronkelijk een ie-klank aanduidt. Deze etymologische regel onderscheidt homoniemen: uitweiden, weidsch, wijden, wijds. Koolen en kolen krijgen hun verschil in spelling op deze basis - de vocaalspelling in open lettergrepen - waar veel over geschreven is in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het etymologisch principe genereert regels die het onderwijs veel verdriet hebben gedaan, maar die uit wetenschappelijk oogpunt de nieuwe taalkunde op excellente wijze toepassen.
De spelling De Vries en Te Winkel blijft natuurlijk haar tegenstanders houden, maar het onderwijs gaat over. De 'vreemde' spelling van de bastaardwoorden zal op menig taalcongres nog onderwerp van discussie zijn. Multatuli gaat zijn eigen gang ondertussen en Kollewijn moet nog komen.
De redactie
Zoals eerder opgemerkt vraagt De Vries de nieuwe docent Nederlands aan het gymnasium Te Winkel in de redactie zitting te nemen. In de kerstvakantie van 1851-52 komt De Vries naar Leiden en daar werken ze dagenlang aan de uitwerking van de plannen:
Daar ik de Vacantie te Leijden denk door te brengen, en de lessen aan het Gymnasium, zoo als U misschien bekend is, eerst den 8sten Jan. weder beginnen, zoo ben ik tot dien dag toe geheel tot Uwe dispositie. Regel dus s.v.p. den tijd uwer overkomst, wat mij betreft volkomen naar Uw goedvinden.
Aldus de Leidse schoolmeester aan de jonge hoogleraar die het werk aan het WNT wil regelen. Er worden brieven geschreven aan potentiële medewerkers, er moet een brochure opgesteld worden, er moet nagedacht worden over de inrichting van de lemma's, de etymologie, de spelling en de lexicografische werkwijze. De Vries woont nog in Groningen en komt in de paasvakantie weer naar Haarlem (waar zijn familie woont) en naar zijn mede-redacteur te Leiden.
Tussendoor houden ze per brief contact. Te Winkel meldt allerlei technische en organisatorische kwesties. Over de kasten, de dozen en de antwoorden op de circulaire. Er wordt een rekwest aan de overheden opgesteld voor financiële steun. De papiermaat van de fiches is eveneens onderwerp van de correspondentie. Elk woord moest door de vrijwilligers aangetekend worden op een afzonderlijk blad, kwarto formaat, met afgesneden randen.
De Vries oriënteert zich ook internationaal. Zo klaagt Jacob Grimm op 30 juni 1852 in een brief aan zijn uitgever Hirzel dat het hem moeilijk valt om in de zomermaanden rustig door te werken aan zijn Deutsches Wörterbuch. Constant word je lastig gevallen: "im sommer, merke ich, fällt die ausarbeitung schwerer, zumal wegen der besuche, die stunden und viertelstage in beschlag nehmen [...]. aus Groningen kommt ein prof. De Vries fünf tage her, um sich wegen eines niederländ. wörterbuchs zu berathen, (als fände er meinen plan nicht ausreichend im erschienenen heft!)". Maar diezelfde dag nog reageert hij beleefd op de brief die zijn Nederlandse collega hem gestuurd heeft. Hij laat De Vries weten dat het hem en zijn broer Wilhelm "grosze freude machen [wird]" als hij in Berlijn bij hen langs wil komen. Een bezoek aan de eigengereide en lichtgeraakte Jacob Grimm was niet altijd een onverdeeld genoegen, maar in de zomer van 1852 wordt De Vries welwillend ontvangen en krijgt hij een aantal tips mee inzake "het plan onzer lexicographische werkzaamheid". Maar het WNT is niet geschoeid op de leest van Grimms Deutsches Wörterbuch - dat is een hardnekkig misverstand.
Nadat begin februari 1852 berichten naar dagbladen waren uitgegaan en enkele tientallen letterkundigen in Noord en Zuid een verzoek hadden gekregen om hun medewerking te verlenen aan het Woordenboek door het werk van een of meer schrijvers te excerperen, treedt het WNT "het tijdperk van het verzamelen" binnen. Tot de volgende stap, de eigenlijke bewerking, komt het pas eind 1860. Van de verleende staatssubsidies, bijna duizend gulden per jaar, konden niet alleen papier, kasten en burelen worden betaald, maar ook enkele hulpkrachten. "Het ontvangen subsidie heeft mij nu ook in staat gesteld, mij hier [in Groningen] van een bezoldigde klerk te voorzien, die onder mijn toezigt geregeld werkt, en elken Zaterdag avond mij de vruchten van zijnen arbeid te huis brengt", rapporteert De Vries aan Koenen eind oktober 1852. In Leiden waren in 1852 en 1853 ook twee betaalde krachten ingezet. Maar verder was het WNT in deze fase een vrijwilligersorganisatie met een mandaat van het Letterkundig Congres.
In het redactioneel verslag dat in 1854 voorgedragen werd op het vierde Nederlandsch Letterkundig congres te Utrecht liet De Vries weten welke personen er bijdragen geleverd hadden voor het WNT. Van A.C. Oudemans werd met ontzag vermeld dat hij meer dan 8800 beschreven bladen had aangeleverd. Om de druk op de ketel te houden laat De Vries ook de namen volgen van degenen die nog bijdragen hadden toegezegd. Maar van Alberdingk Thijm bijvoorbeeld kreeg De Vries veel minder uit handen dan hij had gehoopt en verwacht. Diens lijst met verklaringen van katholieke woorden en uitdrukkingen blijft uit.
Eerste aflevering
Begin jaren zestig was het tijdperk van de bewerking aangebroken. Na het regelen van de spelling kon de eerste aflevering - van A tot Aanhaling - verschijnen. Vooraf lieten de beide redacteuren eerst een proef verschijnen, overigens in een opmaak van drie kolommen die ze voor de definitieve uitgave wijzigden. In de jaren 1862-1868 hebben Te Winkel en De Vries dagelijks met elkaar contact. Er worden vele briefjes gewisseld. Het is niet echt duidelijk wat de werkverdeling geweest is, maar de publicaties van Te Winkel in De Taalgids laten zien dat hij zich met alle aspecten, inclusief de etymologie, diepgaand bezighoudt.
"In September 1864 mochten wij het genoegen smaken, de eerste aflevering van het Woordenboek het licht te doen zien. Zij werd met ingenomenheid ontvangen. Die breede naamlijst van inteekenaren getuigde opnieuw, dat het werkelijk een volkswensch was, die nu - na zoo lange teleurstelling - eindelijk begon vervuld te worden" (De Vries). In deel I van het Woordenboek is een "Naamlijst der inteekenaren" opgenomen. De Koning opent de lijst, gevolgd door Prins Hendrik en Prins Frederik. Daarna volgen 88 bladzijden met "de namen van 2243 personen of instellingen die op een exemplaar ingetekend hadden, en van 286 intekenaren op meer dan een exemplaar, die er tezamen 3312 wensten [...]. In totaal was er dus ingetekend op 5558 exemplaren". Nederland en Vlaanderen telden toen nog ongeveer zes miljoen inwoners, Friezen meegerekend.
Natuurlijk blijven de reacties niet uit. Zo reageert in De Gids (1865) amice Thijm. Hij noemt het Woordenboek een geschenk, "dat den Heeren de Vries en Te Winkel met hunnen trouwen en smaakvollen raadgever Prof. David, benevens hunnen vlijtigen medearbeiders, eene onvergankelijke aanspraak waarborgt op de dankbaarheid van ieder, die het wel met ons volk, onze kunst, onze wetenschap, ons maatschappelijk leven meent". Maar er zijn ook tegenstemmen. Al vrij snel wordt geklaagd over het lage tempo. Pas in 1882 was deel I van A tot Ajuin een feit.
De kritiek gold behalve het tempo ook de keuze van de woorden en het al of niet beoogde normatieve karakter. Zo moppert Multatuli dat zo'n woordenboek lijkt op een evangelie. Van Vloten schimpt in menige publicatie en vooral het 'kathederboefje' moet het als manipulator ontgelden. Wat er ook met het Woordenboek gebeurt, een redactiewijziging, een volgende aflevering, een nieuw subsidieverzoek - het WNT blijft in zekere kring in dit land als het weer: er valt altijd wel iets over te zeggen.
Slot
In het beeld van de grondleggers is De Vries altijd de grote man en vanzelfsprekend is hij als hooggeleerde de schipper, de hoofdredacteur, ook de financiële regelaar. Er is echter geen reden het werk van Te Winkel als ondergeschikt te beschouwen. De Vries heeft bij de dood van Te Winkel daarover geen onduidelijkheid laten bestaan:
Op het wijsgeerig gebied der taalkunde had hij nauwelijks zijns gelijke. Onze spraakkunst heeft hij meer dan iemand anders duurzaam aan zich verplicht door zijne buitengewone scherpzinnigheid, helderen blik, strenge methode en zuivere waarheidsliefde. Door de regeling der spelling heeft hij aan onze taal een uitstekenden dienst bewezen. De taalkundige tijdschriften, vroeger en later door hem geredigeerd, bevatten een schat van belangrijke bijdragen van zijne hand. Geen onderwerp werd ooit door hem behandeld, waarop hij niet een nieuw en verrassend licht wist te verspreiden, en waarbij hij niet door zijne degelijke critiek een aantal verouderde dwalingen uit den weg ruimde. Maar bovenal heeft hij zich eene blijvende verdienste verworven door zijn werkzaam en vruchtbaar aandeel in de bewerking van het Nederlandsch Woordenboek, waaraan zijne laatste levensjaren bijna uitsluitend waren gewijd. Zijn afsterven is voor dat Woordenboek een onherstelbaar verlies.
Bij de dood van De Vries verschenen er talloze publicaties. Maar het door De Vries toegezegde levensbericht van Te Winkel voor de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde is merkwaardigerwijze nooit verschenen.
Multatuli, die geen gelegenheid voorbij liet gaan Woordenboek en spelling op de korrel te nemen, ontmoet "de firma De Vries en Te Winkel" op het negende Taal-en Letterkundig congres te Gent in 1867. Op Te Winkel raakt hij "verliefd" en De Vries ("myn vyand") noemt hij "een prettiger mensch (...) dan men uit van Vloten's karikatuur zou denken". Uit de brief die hij aan Te Winkel schreef: "Daar ik U zoo goed en vriendelyk vond, sneed het my door de ziel, dat ik gefulmineerd had op uw woordenboek".
Wiens woordenboek?
Deze bijdrage is gebaseerd op gedeelten uit L.van Driel en J. Noordegraaf, De Vries en Te Winkel. Een duografie. Sdu Uitgevers, Den Haag / Standaard Uitgeverij, Antwerpen 1998. Zie over dit boek onder meer Marc van Oostendorp, "Verliefd op Dr. te Winkel", in Neder-L 9902.26.

Powered by Plone CMS, the Open Source Content Management System