erflaters van de ned taalkunde
ERFLATERS VAN DE NEDERLANDSE
TAALKUNDE
De Vries, Te Winkel en hun
Woordenboek
Lo van Driel & Jan
Noordegraaf
Toen de eerste aflevering van het
Woordenboek der Nederlandsche Taal in 1864 verscheen, waren
twee leden van de oorspronkelijke redactie nog actief: M. de Vries
en L.A. te Winkel. De Leuvense kanunnik J.B. David was in 1863
teruggetreden en enkele jaren daarna overleden. Maar toen in 1882
het eerste deel van het WNT (A-Ajuin) compleet was, was
inmiddels ook Te Winkel overleden.
Aan De Vries en Te Winkel komt de eer toe de
grondleggers van het fameuze Woordenboek te zijn. In dit
artikel willen we het WNT in een historiografische context
plaatsen en van de beide leden van de "de firma de Vries en te
Winkel" (Multatuli) een biografische schets geven.
De vorming van een redactie
Volgens De Vries moest de zetel van het Woordenboek in Leiden zijn, "daar waar al de papieren van Letterkunde liggen" en een overvloed aan boeken is. Bovendien hield hij er ongetwijfeld rekening mee dat hij binnen twee jaar - dat is in 1853 - zijn Groningse leerstoel zou kunnen inruilen voor die te Leiden. Zo kwam, als vanzelf, de figuur van L.A. te Winkel in beeld, de vroegere huisleraar uit Friesland die door De Vries bij de Curatoren van het Leidse gymnasium krachtig was aanbevolen. De Vries polst de pas benoemde Leidse onderwijzer in de Nederlandse taal. Na diens positieve reactie en met instemming van David doet hij vervolgens de Permanente Congrescommissie het voorstel om Te Winkel tot redacteur van het Woordenboek te benoemen. Op 20 november 1851 schrijft Te Winkel geroerd aan de "Hooggeleerde Heer en Vriend" De Vries dat hij blij verrast is met zijn benoeming tot redacteur van het Woordenboek; zijn eigenliefde is er niet weinig door gestreeld. Hij belooft zijn "geringe krachten en vermogens aan de heerlijke taak te zullen wijden" - tot de dood erop volgt, kunnen we er nu wel aan toevoegen. Te Winkel blijkt verguld met het feit dat de Groningse hoogleraar hem "de hand van vriendschap" reikt, die hij dankbaar aanvaardt.
Volgens De Vries moest de zetel van het Woordenboek in Leiden zijn, "daar waar al de papieren van Letterkunde liggen" en een overvloed aan boeken is. Bovendien hield hij er ongetwijfeld rekening mee dat hij binnen twee jaar - dat is in 1853 - zijn Groningse leerstoel zou kunnen inruilen voor die te Leiden. Zo kwam, als vanzelf, de figuur van L.A. te Winkel in beeld, de vroegere huisleraar uit Friesland die door De Vries bij de Curatoren van het Leidse gymnasium krachtig was aanbevolen. De Vries polst de pas benoemde Leidse onderwijzer in de Nederlandse taal. Na diens positieve reactie en met instemming van David doet hij vervolgens de Permanente Congrescommissie het voorstel om Te Winkel tot redacteur van het Woordenboek te benoemen. Op 20 november 1851 schrijft Te Winkel geroerd aan de "Hooggeleerde Heer en Vriend" De Vries dat hij blij verrast is met zijn benoeming tot redacteur van het Woordenboek; zijn eigenliefde is er niet weinig door gestreeld. Hij belooft zijn "geringe krachten en vermogens aan de heerlijke taak te zullen wijden" - tot de dood erop volgt, kunnen we er nu wel aan toevoegen. Te Winkel blijkt verguld met het feit dat de Groningse hoogleraar hem "de hand van vriendschap" reikt, die hij dankbaar aanvaardt.
M. de Vries
Matthias de Vries was de tweede zoon uit het huwelijk van de doopsgezinde predikant Abraham de Vries en diens echtgenote Hillegonda van Geuns. Hij werd op donderdag 9 november 1820 geboren te Haarlem. De familie De Vries behoorde tot de kleine, protestantse intellectuele elite in de Nederlandse standenmaatschappij uit die dagen en beschikte over een uitgebreid netwerk van relaties in universitaire en literaire kringen.
Matthias de Vries was de tweede zoon uit het huwelijk van de doopsgezinde predikant Abraham de Vries en diens echtgenote Hillegonda van Geuns. Hij werd op donderdag 9 november 1820 geboren te Haarlem. De familie De Vries behoorde tot de kleine, protestantse intellectuele elite in de Nederlandse standenmaatschappij uit die dagen en beschikte over een uitgebreid netwerk van relaties in universitaire en literaire kringen.
In 1838 vertrok de jonge Matthias de Vries
naar Leiden om klassieke talen te studeren. Zijn belangstelling
voor de studie van het Nederlands blijkt onder meer uit het feit
dat hij op 24 januari 1839 het vakdispuut Belgicis Literis
Sacrum oprichtte, een gezelschap dat zich vooral bezighield met
de bestudering van de Middelnederlandse letterkunde. De Vries was
een ijverig student, die al vroeg als publicist actief werd op het
gebied van het Middelnederlands. Na twee academische prijsvragen te
hebben gewonnen, promoveerde hij in 1843 summa cum laude op een
klassiek onderwerp. Hij bezorgde vrijwel tegelijkertijd een editie
van Hoofts Warenar en begon nog in hetzelfde jaar aan een
uitgave van de dichtwerken van Jacob Cats, waarvan hij de latere
delen aan De Jager zou overlaten. Een ander interessant wapenfeit
uit die tijd is de oprichting van de `Vereeniging ter bevordering
der oude Nederlandsche letterkunde'. Die vond plaats op 4 oktober
1843, ten huize van De Vries aan het Rapenburg.
De Vries' maatschappelijke carrière verliep
aanvankelijk stroef. Enkele malen poogden welgezinde hoogleraren
hem aan een Leids lectoraat te helpen. Zijn eerste betrekking kreeg
hij mede op voorspraak van professor Siegenbeek, een oude
studievriend van zijn vader. Eind 1846 werd De Vries benoemd tot
tweede praeceptor (leraar in de lagere klassen) aan het Leidse
gymnasium. Maar zijn hart lag niet bij het middelbaar onderwijs.
"De vurigste wensch van mijnen geest" was "dat ik aan de studie
onzer taal al mijne krachten zou mogen wijden", heet het eind 1847
in een brief aan de invloedrijke H.J. Koenen, wethouder van
Amsterdam en curator van het Athenaeum Illustre. De jonge leraar
Nederlands en geschiedenis voelt zich "overladen met ene last van
practicale bezigheden en van allerlei arbeid, die mij rusteloos
voortjaagt en mijne krachten ondermijnt". Het is een
grammofoonplaat die de komende decennia grijs gedraaid zal
worden.
Toen de leerstoel Nederlands en geschiedenis
in 1847 aan "het kleine Deventersche Athenaeum" (H. Kern) vrijkwam,
moest De Vries nog de voorrang geven aan zijn oud-studiegenoot
W.J.A. Jonckbloet. Bij de vacature die in 1849 in Groningen
ontstond door het overlijden van de hoogleraar Nederlands B.H.
Lulofs, stond de naam van Jonckbloet als tweede op de voordracht;
de leerstoel viel aan De Vries toe. Vier jaar later vertrok De
Vries naar Leiden om de leerstoel Nederlands en geschiedenis van
J.M. Schrant over te nemen; ook hier verloor Jonckbloet de slag. De
vriendschap werd verbroken toen De Vries in 1864 de door Jonckbloet
zorgvuldig voorbereide benoeming van J. van Vloten als hoogleraar
Nederlands te Groningen wist te verijdelen en er zijn eigen
kandidaat en intimus H.E. Moltzer benoemd kreeg. Uit die dagen
dateert Van Vlotens invectief "kathederboefje" voor de ontrouw
bevonden vriend De Vries, die inderdaad ook voor die tijd "klein
van gestalte was" (J. Verdam).
Als hoogleraar te Leiden slaagde De Vries erin
in de loop van de tijd diverse onderdelen van zijn leeropdracht af
te stoten, zoals de vaderlandse geschiedenis. Het is mede door zijn
toedoen dat in 1876 het doctoraat Nederlands wordt ingesteld. De
Vries' glorietijd ligt in de kwart eeuw tussen 1850 en 1875; daarna
loopt zijn "prodigieuze werkkracht" (W.P. Gerritsen) zichtbaar
terug. Ouder geworden boette hij in aan de voor een
woordenboekschrijver zo onmisbare "assiduïteit" [het vermogen om te
volharden], zoals Verdam het tactvol uitdrukt. De laatste jaren
voor zijn emeritaat zijn zwaar als gevolg van een reeks
gezondheidsproblemen. In de winter van 1891-92 komt hij de deur
niet meer uit. Zelfs "het schrijven valt den bevenden astmalijder
moeilijk", luidt het ten slotte begin 1892 in een brief aan zijn
oud-student Jan te Winkel. Dinsdagavond 9 augustus 1892, omstreeks
elf uur, sterft Matthias de Vries; "na een langdurig lijden", zo
laat de familie op de rouwkaart weten.
Het WNT was niet het enige
lexicografische project dat De Vries onder handen had. Op het
rommelige germanistencongres te Frankfurt in september 1846 had hij
een voordracht - in het Nederlands - gehouden waarin hij onder meer
zijn plannen voor een "Middel-Nederlandsch Woordenboek"
uiteenzette, een project "voor hetwelk hij sints jaren de
bouwstoffen verzamelt". Eenmaal tot hoogleraar in Groningen
benoemd, verwachtte hij meer tijd voor het vak te hebben. "Nog in
de aanst. vacantie denk ik aan een Mnl. Woordenboek te beginnen. In
drie jaren moet het klaar zijn, hoop ik", schrijft De Vries op 25
januari 1850 opgewekt aan zijn correspondent J.A. Alberdingk
Thijm.
In 1856 verscheen De Vries' Proeve van
Middelnederlandsche taalzuivering, zijn "Voorbereidende
opmerkingen voor de aanstaande uitgave van een Middelnederlandsch
Woordenboek". Pas in 1864 zag zowel de eerste aflevering van het
Middelnederlandsch Woordenboek als de eerste aflevering van
het Woordenboek der Nederlandsche Taal het licht. Een tweede
aflevering van het MNW volgde het jaar daarop. In 1856 had
De Vries te verstaan gegeven dat het werken aan het MNW voor
hem prioriteit had: het MNW moest immers aan het WNT
voorafgaan. Dat hij het werk aan "'t Mnl. Wdb." ten slotte moest
opgeven, "het hoofddoel van mijn leven", en voorrang moest geven
aan het WNT heeft hij dan ook niet dan knarsetandend kunnen
accepteren. Het WNT was hem tot "slavenjuk" geworden. Men
kan niet zeggen dat hij niet gewaarschuwd was. Maar management is
nooit de sterkste kant van Matthias de Vries geweest en de
Haarlemse domineeszoon is zo gebracht waar hij niet wilde zijn. De
charmante ritselaar en ijverige briefschrijver was een "philoloog
van Gods genade" (Cosijn) die onder zijn eigen lexicografische
projecten gebukt ging.
L.A. te Winkel
De vader van Lammert Allard te Winkel, die geboren werd te Arnhem op 13 september 1809, was schilder en glazenmaker. Lam(m)ert groeide (om onbekende redenen) op bij zijn grootmoeder. Na in zijn geboortestad een lagere school te hebben gevolgd, kwam hij daar op de kostschool van C.J. de Jong waar hij werd opgeleid tot hulponderwijzer. In 1827 werd hij benoemd aan de Franse kostschool van J. Lagerwey te Geertruidenberg.
De vader van Lammert Allard te Winkel, die geboren werd te Arnhem op 13 september 1809, was schilder en glazenmaker. Lam(m)ert groeide (om onbekende redenen) op bij zijn grootmoeder. Na in zijn geboortestad een lagere school te hebben gevolgd, kwam hij daar op de kostschool van C.J. de Jong waar hij werd opgeleid tot hulponderwijzer. In 1827 werd hij benoemd aan de Franse kostschool van J. Lagerwey te Geertruidenberg.
Gedurende de tien jaar dat Te Winkel in
Geertruidenberg werkte, uiteindelijk als eerste secondant,
studeerde hij voor de vier gebruikelijke onderwijzersrangen, met
enkele aanvullende diploma's. Zo'n studieuze periode van ongeveer
tien jaar lijkt erg op die van tijdgenoten: de geleerde
onderwijzers en taalkundigen Arie de Jager (1806-1877), Antonie C.
Oudemans (1798-1874) en Johan H. van Dale (1828-1872). Aan het eind
van zijn onderwijscarrière te Geertruidenberg - Te Winkel bereidt
zich voor op een sollicitatie als hoofd ener school - zoekt hij per
brief contact met De Jager en biedt hem een artikel aan voor het
Taalkundig Magazijn. In 1837 verschijnt daarin Te Winkels
eerste publicatie.
Na een mislukte sollicitatie maakt hij een
eind aan zijn pogingen in het onderwijs carrière te maken. Via een
advertentie zoekt hij een plaats als huisonderwijzer bij een
gegoede familie, wat vaak voorkwam in die tijd. Hij heeft
onmiddellijk succes. In september 1837 begint Te Winkel te werken
in het gezin van de burgemeester van Pietersbierum (noordwestelijk
van Franeker), mr. A.T.R. Sixma van Heemstra. De derde zoon van
deze familie erft van een tante een prachtig landgoed te
Veenklooster bij Kollum, niet ver van Buitenpost. De familie en ook
Te Winkel verblijven hier geregeld en na 1842 permanent. Te Winkel
is belast met de opvoeding en opleiding van de vijf jonkers. Hij
bereidt ze voor op een universitaire studie. Ondertussen studeert
hij ook zelf intensief. Op kosten van zijn broodheer volgt hij
lessen bij verschillende classici. Hij publiceert in die tijd
niets, tot langzamerhand het opvoedingswerk gedaan is. Dan zoekt
hij in 1847 weer contact met De Jager voor een serie publicaties in
het Archief voor Nederlandsche Taalkunde (1847 tot 1852).
Ook verschijnen er vanaf dat jaar stukken in het Magazijn van
Nederlandse Taalkunde.
De Jager, die Te Winkel nog steeds niet
persoonlijk kent, suggereert dat hij eens kennis moet gaan maken
met Matthias de Vries, die in augustus 1849 tot hoogleraar in
Groningen benoemd is en bij wie een pupil van Te Winkel de
propedeuse-colleges loopt. Overigens moeten Te Winkel en De Vries
elkaars artikelen hebben gelezen, voordat ze in Groningen in
januari of februari 1850 met elkaar kennis hebben gemaakt. De Vries
stelt in het voorjaar van 1850 Te Winkel voor als kandidaat-lid van
de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde en wijst in mei 1850
de bescheiden vrijgezel op de vacature van `onderwijzer in de
Nederlandse taal' aan het Stedelijk Gymnasium, de school waar De
Vries voor zijn hoogleraarschap doceerde en voor hem W.G. Brill. Te
Winkel aarzelt: het is een deeltijdbaan en het salaris is niet
hoog. Desondanks vertrekt hij eind augustus 1851 uit Veenklooster
naar Leiden.
In die tijd werkte De Vries aan zijn plan voor
het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Het werken aan het
Woordenboek werd niet bezoldigd, het was liefdewerk. Te
Winkel vulde zijn matige leraarssalaris aan met de vergoeding die
hij kreeg als commissaris voor het Leidse leesmuseum. Na het
vertrek van Van den Bergh als bibliothecaris van de Leidse
Maatschappij, wordt hij ook in die functie, die redelijk betaald
werd, zijn opvolger. Ook gaf hij privé-lessen. Gedurende enkele
jaren onderwees hij de Prins van Oranje, de oudste zoon van Koning
Willem III en Koningin Sophia van Württemberg, in het Nederlands en
de vaderlandse geschiedenis. De prins was op het Instituut Noorthey
te Voorschoten geplaatst door zijn vader om hem aan de invloed van
zijn moeder te onttrekken en zou daarna te Leiden gaan studeren.
Juist in die periode na afloop van zijn Noorthey-jaren en voor en
tijdens de eerste universitaire tijd geeft Te Winkel hem les. Hij
houdt er de Orde van de Eikenkroon aan over.
Ondertussen werkte Te Winkel dag en nacht. Hij
publiceert een onvoorstelbare hoeveelheid artikelen, voert de
redactie van het Nieuw Nederlandsch Taalkundig Magazijn,
stelt een spellingsgids samen. In 1859 begint hij met Arie de Jager
aan het tijdschrift De Taalgids, een voor die tijd modern
tijdschrift voor taalwetenschap en taalonderwijs. Zijn hospita van
het huis waarin hij bijna tien jaar woont op de hoek van de
Langebrug klaagt over hem: meneer werkt tot 2, 3 uur 's nachts en
is 's morgens om 6 uur weer achter zijn werktafel. In 1855 wordt
hij op voordracht van M. de Vries doctor honoris causa van de
Leidse universiteit. De vriend en mede-redacteur van het
Woordenboek is nu op niveau gebracht. Op het niveau van het
Woordenboek.
In 1860 zal, zo is het plan, de regering het
samenstellen van het Woordenboek subsidiëren door het
salaris van een redacteur voor haar rekening te nemen. Te Winkel
heeft reeds zijn ontslag aangekondigd bij de Curatoren van zijn
school, maar de begrotingspost wordt in de Kamer afgestemd. Na een
onduidelijk overgangsjaar wordt hij het jaar daarop bezoldigd
redacteur van het WNT. Dit blijft hij tot zijn dood op 24
april 1868. IJverig, degelijk, bescheiden en teruggetrokken - zo
wordt Te Winkel getypeerd, met de "zucht om zich buiten het gedrang
te houden" (Brill). Maar er zijn ook tegenstemmen: Oudemans ziet
hem als een angstige opportunist. Zijn optreden op het Taal- en
Letterkundecongres van 1865 te Rotterdam noemde Van Lennep
"indecent".
Het werk aan het Woordenboek,
aanvankelijk in combinatie met zijn halve leraarsbaan en later met
zijn redacteurschap van De Taalgids, moet zijn leven
volledig gevuld hebben. Brieven beantwoordde hij in die tijd nooit.
Hij heeft "het werkzaamste aandeel" (De Vries) in de spelling die
voor het Woordenboek geregeld moet worden. Voor De Vries
doet hij allerlei praktische klussen voor het Woordenboek,
maar zijn hoofdtaak is dan de bewerking van het lexicografisch
materiaal. Het verhaal wil dat hij is gekomen tot afspinnen:
De Vries heeft er in het WNT nog een mooie noot van gemaakt.
Te Winkel kan echter ook het onderwijzen niet missen. 's Zaterdags
geeft hij les aan aanstaande onderwijzers. Op zaterdagavond komen
zijn oud-leerlingen van het Gymnasium aan huis om ingewijd te
worden in het Gotisch. In de omgang was hij buitengewoon bedeesd,
op het schroomvallige af, maar in enkele polemieken wist hij niet
goed de juiste toon te vinden. Zo ging het mis met De Jager, zijn
mederedacteur van De Taalgids, na een uit de hand gelopen
discussie over de definitie van het werkwoord.
Op 24 april 1868 sterft hij - hij is een paar
dagen ziek geweest en weer aan de beterende hand - met het laatste
nummer van De Gids in de hand. De Taalgids is daarna
niet meer verschenen.
De spelling voor het WNT
Een van de door De Vries en Te Winkel te treffen voorbereidingen voor de uitgave van het WNT was het regelen van de spelling. Ruim een halve eeuw eerder had Siegenbeek daartoe een poging gedaan, maar deze regeling was voor velen onbevredigend en bovendien niet meer in overeenstemming met de stand van de wetenschap in de ogen van de beide redacteuren. Het regelen van de spelling is voor het grootste deel het werk van Te Winkel. Deze spellingsregeling vormt nog steeds de basis voor de spelling van het huidige Nederlands, hoewel zij juist wat het etymologische aspect betreft - voor De Vries en Te Winkel belangrijk, zo niet essentieel - is aangepast.
Een van de door De Vries en Te Winkel te treffen voorbereidingen voor de uitgave van het WNT was het regelen van de spelling. Ruim een halve eeuw eerder had Siegenbeek daartoe een poging gedaan, maar deze regeling was voor velen onbevredigend en bovendien niet meer in overeenstemming met de stand van de wetenschap in de ogen van de beide redacteuren. Het regelen van de spelling is voor het grootste deel het werk van Te Winkel. Deze spellingsregeling vormt nog steeds de basis voor de spelling van het huidige Nederlands, hoewel zij juist wat het etymologische aspect betreft - voor De Vries en Te Winkel belangrijk, zo niet essentieel - is aangepast.
Voor de spelling definieerden De Vries en Te
Winkel de vier belangrijke beginselen van de spelling-Siegenbeek
opnieuw. Daar is in de eerste plaats de regel van de beschaafde
uitspraak, vervolgens de regel van de identiteit of
gelijkvormigheid, in de derde plaats het principe van de analogie
en ten slotte het beginsel van de etymologie. Aan de schrijfwijze
van mensch moest de verwantschap met het Duitse
Mensch en het Gotische mannisks zichtbaar zijn. Het
is deze regel van de afleiding die er voor zorgt dat we nog steeds
bijvoorbeeld ei en ij onderscheiden. Immers ei
gaat historisch terug op een ee, ei of ai, terwijl
ij oorspronkelijk een ie-klank aanduidt. Deze
etymologische regel onderscheidt homoniemen: uitweiden,
weidsch, wijden, wijds. Koolen en
kolen krijgen hun verschil in spelling op deze basis - de
vocaalspelling in open lettergrepen - waar veel over geschreven is
in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het etymologisch
principe genereert regels die het onderwijs veel verdriet hebben
gedaan, maar die uit wetenschappelijk oogpunt de nieuwe taalkunde
op excellente wijze toepassen.
De spelling De Vries en Te Winkel blijft
natuurlijk haar tegenstanders houden, maar het onderwijs gaat over.
De 'vreemde' spelling van de bastaardwoorden zal op menig
taalcongres nog onderwerp van discussie zijn. Multatuli gaat zijn
eigen gang ondertussen en Kollewijn moet nog komen.
De redactie
Zoals eerder opgemerkt vraagt De Vries de nieuwe docent Nederlands aan het gymnasium Te Winkel in de redactie zitting te nemen. In de kerstvakantie van 1851-52 komt De Vries naar Leiden en daar werken ze dagenlang aan de uitwerking van de plannen:
Zoals eerder opgemerkt vraagt De Vries de nieuwe docent Nederlands aan het gymnasium Te Winkel in de redactie zitting te nemen. In de kerstvakantie van 1851-52 komt De Vries naar Leiden en daar werken ze dagenlang aan de uitwerking van de plannen:
Daar ik de Vacantie te Leijden denk door te brengen, en de lessen aan het Gymnasium, zoo als U misschien bekend is, eerst den 8sten Jan. weder beginnen, zoo ben ik tot dien dag toe geheel tot Uwe dispositie. Regel dus s.v.p. den tijd uwer overkomst, wat mij betreft volkomen naar Uw goedvinden.
Aldus de Leidse schoolmeester aan de jonge
hoogleraar die het werk aan het WNT wil regelen. Er worden
brieven geschreven aan potentiële medewerkers, er moet een brochure
opgesteld worden, er moet nagedacht worden over de inrichting van
de lemma's, de etymologie, de spelling en de lexicografische
werkwijze. De Vries woont nog in Groningen en komt in de
paasvakantie weer naar Haarlem (waar zijn familie woont) en naar
zijn mede-redacteur te Leiden.
Tussendoor houden ze per brief contact. Te
Winkel meldt allerlei technische en organisatorische kwesties. Over
de kasten, de dozen en de antwoorden op de circulaire. Er wordt een
rekwest aan de overheden opgesteld voor financiële steun. De
papiermaat van de fiches is eveneens onderwerp van de
correspondentie. Elk woord moest door de vrijwilligers aangetekend
worden op een afzonderlijk blad, kwarto formaat, met afgesneden
randen.
De Vries oriënteert zich ook internationaal.
Zo klaagt Jacob Grimm op 30 juni 1852 in een brief aan zijn
uitgever Hirzel dat het hem moeilijk valt om in de zomermaanden
rustig door te werken aan zijn Deutsches Wörterbuch.
Constant word je lastig gevallen: "im sommer, merke ich, fällt die
ausarbeitung schwerer, zumal wegen der besuche, die stunden und
viertelstage in beschlag nehmen [...]. aus Groningen kommt ein
prof. De Vries fünf tage her, um sich wegen eines niederländ.
wörterbuchs zu berathen, (als fände er meinen plan nicht
ausreichend im erschienenen heft!)". Maar diezelfde dag nog
reageert hij beleefd op de brief die zijn Nederlandse collega hem
gestuurd heeft. Hij laat De Vries weten dat het hem en zijn broer
Wilhelm "grosze freude machen [wird]" als hij in Berlijn bij hen
langs wil komen. Een bezoek aan de eigengereide en lichtgeraakte
Jacob Grimm was niet altijd een onverdeeld genoegen, maar in de
zomer van 1852 wordt De Vries welwillend ontvangen en krijgt hij
een aantal tips mee inzake "het plan onzer lexicographische
werkzaamheid". Maar het WNT is niet geschoeid op de leest
van Grimms Deutsches Wörterbuch - dat is een hardnekkig
misverstand.
Nadat begin februari 1852 berichten naar
dagbladen waren uitgegaan en enkele tientallen letterkundigen in
Noord en Zuid een verzoek hadden gekregen om hun medewerking te
verlenen aan het Woordenboek door het werk van een of meer
schrijvers te excerperen, treedt het WNT "het tijdperk van
het verzamelen" binnen. Tot de volgende stap, de eigenlijke
bewerking, komt het pas eind 1860. Van de verleende
staatssubsidies, bijna duizend gulden per jaar, konden niet alleen
papier, kasten en burelen worden betaald, maar ook enkele
hulpkrachten. "Het ontvangen subsidie heeft mij nu ook in staat
gesteld, mij hier [in Groningen] van een bezoldigde klerk te
voorzien, die onder mijn toezigt geregeld werkt, en elken Zaterdag
avond mij de vruchten van zijnen arbeid te huis brengt",
rapporteert De Vries aan Koenen eind oktober 1852. In Leiden waren
in 1852 en 1853 ook twee betaalde krachten ingezet. Maar verder was
het WNT in deze fase een vrijwilligersorganisatie met een
mandaat van het Letterkundig Congres.
In het redactioneel verslag dat in 1854
voorgedragen werd op het vierde Nederlandsch Letterkundig congres
te Utrecht liet De Vries weten welke personen er bijdragen geleverd
hadden voor het WNT. Van A.C. Oudemans werd met ontzag vermeld dat
hij meer dan 8800 beschreven bladen had aangeleverd. Om de druk op
de ketel te houden laat De Vries ook de namen volgen van degenen
die nog bijdragen hadden toegezegd. Maar van Alberdingk Thijm
bijvoorbeeld kreeg De Vries veel minder uit handen dan hij had
gehoopt en verwacht. Diens lijst met verklaringen van katholieke
woorden en uitdrukkingen blijft uit.
Eerste aflevering
Begin jaren zestig was het tijdperk van de bewerking aangebroken. Na het regelen van de spelling kon de eerste aflevering - van A tot Aanhaling - verschijnen. Vooraf lieten de beide redacteuren eerst een proef verschijnen, overigens in een opmaak van drie kolommen die ze voor de definitieve uitgave wijzigden. In de jaren 1862-1868 hebben Te Winkel en De Vries dagelijks met elkaar contact. Er worden vele briefjes gewisseld. Het is niet echt duidelijk wat de werkverdeling geweest is, maar de publicaties van Te Winkel in De Taalgids laten zien dat hij zich met alle aspecten, inclusief de etymologie, diepgaand bezighoudt.
Begin jaren zestig was het tijdperk van de bewerking aangebroken. Na het regelen van de spelling kon de eerste aflevering - van A tot Aanhaling - verschijnen. Vooraf lieten de beide redacteuren eerst een proef verschijnen, overigens in een opmaak van drie kolommen die ze voor de definitieve uitgave wijzigden. In de jaren 1862-1868 hebben Te Winkel en De Vries dagelijks met elkaar contact. Er worden vele briefjes gewisseld. Het is niet echt duidelijk wat de werkverdeling geweest is, maar de publicaties van Te Winkel in De Taalgids laten zien dat hij zich met alle aspecten, inclusief de etymologie, diepgaand bezighoudt.
"In September 1864 mochten wij het genoegen
smaken, de eerste aflevering van het Woordenboek het licht te doen
zien. Zij werd met ingenomenheid ontvangen. Die breede naamlijst
van inteekenaren getuigde opnieuw, dat het werkelijk een
volkswensch was, die nu - na zoo lange teleurstelling - eindelijk
begon vervuld te worden" (De Vries). In deel I van het Woordenboek
is een "Naamlijst der inteekenaren" opgenomen. De Koning opent de
lijst, gevolgd door Prins Hendrik en Prins Frederik. Daarna volgen
88 bladzijden met "de namen van 2243 personen of instellingen die
op een exemplaar ingetekend hadden, en van 286 intekenaren op meer
dan een exemplaar, die er tezamen 3312 wensten [...]. In totaal was
er dus ingetekend op 5558 exemplaren". Nederland en Vlaanderen
telden toen nog ongeveer zes miljoen inwoners, Friezen
meegerekend.
Natuurlijk blijven de reacties niet uit. Zo
reageert in De Gids (1865) amice Thijm. Hij noemt het
Woordenboek een geschenk, "dat den Heeren de Vries en Te
Winkel met hunnen trouwen en smaakvollen raadgever Prof. David,
benevens hunnen vlijtigen medearbeiders, eene onvergankelijke
aanspraak waarborgt op de dankbaarheid van ieder, die het wel met
ons volk, onze kunst, onze wetenschap, ons maatschappelijk leven
meent". Maar er zijn ook tegenstemmen. Al vrij snel wordt geklaagd
over het lage tempo. Pas in 1882 was deel I van A tot
Ajuin een feit.
De kritiek gold behalve het tempo ook de keuze
van de woorden en het al of niet beoogde normatieve karakter. Zo
moppert Multatuli dat zo'n woordenboek lijkt op een evangelie. Van
Vloten schimpt in menige publicatie en vooral het 'kathederboefje'
moet het als manipulator ontgelden. Wat er ook met het
Woordenboek gebeurt, een redactiewijziging, een volgende
aflevering, een nieuw subsidieverzoek - het WNT blijft in
zekere kring in dit land als het weer: er valt altijd wel iets over
te zeggen.
Slot
In het beeld van de grondleggers is De Vries altijd de grote man en vanzelfsprekend is hij als hooggeleerde de schipper, de hoofdredacteur, ook de financiële regelaar. Er is echter geen reden het werk van Te Winkel als ondergeschikt te beschouwen. De Vries heeft bij de dood van Te Winkel daarover geen onduidelijkheid laten bestaan:
In het beeld van de grondleggers is De Vries altijd de grote man en vanzelfsprekend is hij als hooggeleerde de schipper, de hoofdredacteur, ook de financiële regelaar. Er is echter geen reden het werk van Te Winkel als ondergeschikt te beschouwen. De Vries heeft bij de dood van Te Winkel daarover geen onduidelijkheid laten bestaan:
Op het wijsgeerig gebied der taalkunde had hij nauwelijks zijns gelijke. Onze spraakkunst heeft hij meer dan iemand anders duurzaam aan zich verplicht door zijne buitengewone scherpzinnigheid, helderen blik, strenge methode en zuivere waarheidsliefde. Door de regeling der spelling heeft hij aan onze taal een uitstekenden dienst bewezen. De taalkundige tijdschriften, vroeger en later door hem geredigeerd, bevatten een schat van belangrijke bijdragen van zijne hand. Geen onderwerp werd ooit door hem behandeld, waarop hij niet een nieuw en verrassend licht wist te verspreiden, en waarbij hij niet door zijne degelijke critiek een aantal verouderde dwalingen uit den weg ruimde. Maar bovenal heeft hij zich eene blijvende verdienste verworven door zijn werkzaam en vruchtbaar aandeel in de bewerking van het Nederlandsch Woordenboek, waaraan zijne laatste levensjaren bijna uitsluitend waren gewijd. Zijn afsterven is voor dat Woordenboek een onherstelbaar verlies.
Bij de dood van De Vries verschenen er talloze
publicaties. Maar het door De Vries toegezegde levensbericht van Te
Winkel voor de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde is
merkwaardigerwijze nooit verschenen.
Multatuli, die geen gelegenheid voorbij liet
gaan Woordenboek en spelling op de korrel te nemen, ontmoet
"de firma De Vries en Te Winkel" op het negende Taal-en
Letterkundig congres te Gent in 1867. Op Te Winkel raakt hij
"verliefd" en De Vries ("myn vyand") noemt hij "een prettiger
mensch (...) dan men uit van Vloten's karikatuur zou denken". Uit
de brief die hij aan Te Winkel schreef: "Daar ik U zoo goed en
vriendelyk vond, sneed het my door de ziel, dat ik gefulmineerd had
op uw woordenboek".
Wiens woordenboek?
Deze bijdrage is gebaseerd op gedeelten uit
L.van Driel en J. Noordegraaf, De Vries en Te Winkel. Een
duografie. Sdu Uitgevers, Den Haag / Standaard Uitgeverij,
Antwerpen 1998. Zie over dit boek onder meer Marc van Oostendorp,
"Verliefd op Dr. te Winkel", in Neder-L
9902.26.