Persoanlik ark
Jo binne hjir: Thússide Uitgaven Trefwoord Jaargang 1999 Iets over de lexicografie van het Westerlauwers Fries
Dokumint aksjes

Iets over de lexicografie van het Westerlauwers Fries

Iets over de lexicografie van het Westerlauwers Fries van 1800 tot heden*

Index:

Inleiding

In 1802 publiceerde Everwinus Wassenbergh (1742-1826), hoogleraar te Franeker, zijn Idioticon Frisicum. Waarschijnlijk op het verkeerde been gezet door de titel, wordt het Idioticon door sommigen beschouwd als het begin van de lexicografie van het Nieuwfries.1 Gosses (1933:305) noemt het 'it earste Fryske Wirdboek', terwijl Piebenga (1939:45-46) meent dat in het Idioticon 'de earste founeminten fen 't Frysk Wirdboek' gelegd werden. Buitenrust Hettema (1888:11) lijkt het Idioticon, waar volgens Hem 'een zeshonderd der merkwaardigste Friesche [cursief AD] woorden' in opgetekend zijn, ook als een Fries woordenboek te beschouwen. Galama (1965:13-20) maakt evenwel aannemelijk dat Wassenbergh niet het Fries, maar het 'Nederduitsch' uit de Friese steden in zijn Idioticon beschrijft. Door zijn leerlingen, de zogenaamde Wassenbergh-school , is de figuur Wassenbergh toch niet zonder belang geweest voor de Friese lexicografie. Een van hen, Ecco Epkema (1759-1832), publiceerde in 1824 een woordenboek op het werk van de Friese dichter Gysbert Japix (1603-1666), waarin hij ook regelmatig verwijst naar het Fries van zijn eigen tijd. Een andere leerling, J.C.P Salverda (1783-1836), legde woordverzamelingen aan waar later Joast Hiddes Halbertsma voor zijn woordenboek gebruik van heeft gemaakt. PC. Scheltema (1752-1835), een broer van Wassenbergh-leerling Jac. Scheltema, verzamelde o.a. spreekwoorden, die door zijn vriend Halbertsma weer gebruikt zijn.

De naam Joast Hiddes Halbertsma (1789-1869) is in het voorgaande al twee keer gevallen. Halbertsma is dan ook de ware 'Pionier der neuwestfriesischen [...] Lexikographie' (Århammar 1990:2025). Hij was de eerste die uitgebreide verzamelingen (Nieuw)fries taalmateriaal aanlegde en ook de eerste die zulk materiaal in woordenboekvorm beschreef. De dood heeft verhinderd dat Halbertsma zijn werk af kon maken. Postuum is in 1872 het Lexicon Frisicum verschenen met materiaal dat al in handschrift klaar lag, het gedeelte A tot Feer.

In 1879 besloten de Staten van Friesland dat er een volledig woordenboek van het Nieuwfries zou komen. met als uitgangspunt o.a. het
Lexicon Frisicum en het aan de provincie Friesland nagelaten materiaal van Halbertsma. Tamelijk snel na het verschijnen van dat nieuwe woordenboek, met de titel Friesch Woordenboek (1900-1911), werd er gewezen op de lacunes die erin zaten en werd er aangedrongen op een completer woordenboek. Uiteindelijk zou dat mede uitlopen op de oprichting van de Fryske Akademy (FA) in 1938, die zich ontwikkelde tot het centrum van de Nieuwfriese lexicografie. Het hoofdproject van de FA werd het wetenschappelijke Wurdboek fan de Fryske Taal/Woordenboek der Friese Taal (WFT), [235] waar op dit moment 11 delen van uitgekomen zijn. In december 1998 zullen dat er 15 zijn. Rondom het WFT-project is en wordt een serie hand- en dialectwoordenboeken samengesteld.
 
 In wat volgt zal het accent liggen op het Lexicon Frisicum, het Friesch Woordenboek en de lexicografie bij de FA. Bij de woordenboeken en -lijsten die niet in FA-verband zijn verschenen, wordt kort stilgestaan. Voor de volledigheid worden sommige werken alleen maar eventjes genoemd.

Het Lexicon Frisicum van J.H. Halbertsma

Laat ieder die het onvoltooide woordenboek van den wakkeren
Fries ten hand neemt, het lezen zooals de bij honing zoekt, en
hij zal het nimmer onvoldaan uit de hand leggen. Kern 1874:84
 
Na circa 1820 wordt de invloed van de romantiek ook in Friesland merkbaar. Er komt meer aandacht voor eerdere fases van de eigen taal, en het besef van de waarde en de rijkdom van de eigentijdse volkstaal wordt gaandeweg groter. Men begint meer te schrijven en te dichten in het Fries, en het Fries wordt onderwerp van taalkundige studie. Het is in- dat klimaat dat Joast Hiddes Halbertsma ( 1789-1869) de eerste stappen zet van wat een lange reis door het land van de Friese taalkunde zou worden.
Halbertsma ontwikkelt zich tot een autoriteit op het gebied van het Fries. Niet alleen in Friesland wordt hij zo beschouwd, maar ook in het buitenland, zoals we kunnen opmaken uit zijn correspondentie met o.a. Rasmus Rask, Jacob Grimm en John Bosworth. Allerhande denkbeelden van Halbertsma vindt men ook bij de grote Duitse taalkundigen van zijn tijd. De veronderstelling dat Halbertsma die denkbeelden dan wel van zijn illustere tijdgenoten overgenomen zal hebben, ligt voor de hand. Het hoeft echter niet zo te zijn. Het zou niet de eerste keer zijn dat bij twee of meer personen, onafhankelijk van elkaar, dezelfde nieuwe ideeën opkomen.2Halbertsma beweert in elk geval dat dat zo is waar het zijn woordenboekwerk betreft. In 1846, nadat hij een lezing van Wilhelm Grimm gehoord heeft, schrijft hij in zijn verslag: 'ik inzonderheid verheugde mij volkomen dezelfde beginselen bij deze twee grote taalkenners terug te vinden, welke ik altijd in Nederland gepredikt heb' (Brouwer 1941:1l).

Halbertsma's taalkundige ideeën en uitgangspunten zijn fragmentarisch terug te vinden in vele stukken van zijn hand. In de inleiding tot Aanteekeningen op het vierde deel van den Spiegel Historiael van Jacop van Maerlant (1851) geeft Halbertsma een min of meer aaneengesloten overzicht van zijn ideeën over taal. De taal komt voort uit onze geest, die een aangeboren vermogen heeft om zich beelden te vormen. Door een aangeboren, instinctief en onbewust werkend mechanisme zet de mens die beelden om in klanken en vormt hij zichzelf een complete grammatica. Zelfs de analfabeet verbuigt de woorden zoals het moet en praat volgens [236] de regels van de syntaxis, zonder dat hij daar ook maar iets van begrijpt. De taal is dus 'de schepping van het volk zelven', waar het volk 'zich zelven in heeft uitgedrukt en opgenomen'. 'Uit het diepste der nationale ziel [ ... ] opgeweld', is de taal 'die ziel, die natie zelve' (Halbertsma 1851:3). 3  Uit het bovenstaande volgt logisch wat Halbertsma ziet als de taak van de grammaticus: het is 'de hoogste en de laatste roeping van den grammaticus, om de wetten, volgens welke de analogia innata zich uit, te verspieden, en in plaats van de regels zijner willekeur aan de taal op te dringen, voor die wetten, als de stem der godheid in den mensch, eerbiedig het hoofd te buigen' (Halbertsma 1851:2).

Wanneer Halbertsma het over de taal heeft, bedoelt hij de volkstaal. De volkstaal plaatst hij tegenover de zogenaamde fatsoenlijke taal, die ontwikkeld is in en door de hogere standen, met geen ander doel dan om zich ook door de taal te onderscheiden van het gepeupel. Halbertsma heeft een grote hekel aan dergelijk taalgebruik. Men moet de taal willen vinden en niet willen maken. Op grond van zijn romantische opvattingen over taal spreekt het voor zich dat Halbertsma de taal zoekt waar hij gemaakt wordt, bij het (gewone) volk dus. Met zijn opschrijfboekje in de aanslag reist hij Friesland door en overal legt hij interessant, apart, dialectisch en vaktechnisch taalgebruik vast. Het platte en obscene vergeet hij daarbij niet (zie Dykstra 1994).

Als romanticus was Halbertsma niet tevreden met het beschrijven van alleen het eigentijdse Westerlauwers Fries in al zijn facetten. Hij had een woordenboek voor ogen 'dat den geheelen woordenschat van al de Friesche volksstammen, uit den overouden tijd tot den huidigen dag, zou bevatten' (Buitenrust Hettema 1888:II). In de praktijk wordt in het Lexicon Frisicum echter aan het Middel- en het Oudfries en ook aan het Fries buiten Westerlauwers Friesland relatief weinig aandacht geschonken. Halbertsma heeft zich nogal verkeken op het werk dat het schrijven van zo'n woordenboek meebrengt. In 1829 meldt hij al dat een 'Latijnsch woordenboek van het Friesch [ ... ] op de inlassching van een honderdtal woorden wacht om naar mijn maatstafje voltooid te heten' (Halbertsma 1829:IV). Hoewel germanisten van naam regelmatig op spoedige voltooiing van het woordenboek aandringen, komt dat er maar niet van. Halbertsma pakt heel veel andere projecten aan en hij gaat maar door met het verzamelen van materiaal. Het ene na het andere opschrijfboekje raakt vol. In 1859, drie jaar na zijn emeritaat als dominee in Deventer, schrijft hij al het losse materiaal over in twee grote manuscripten, die de basis vormden voor het latere woordenboek. Beide manuscripten, handschriften A en B, zijn op de Provinciale Bibliotheek van Friesland aanwezig. Kopieën daarvan zijn bij de FA en bij het Frysk Ynstitút van de RUG in Groningen. Halbertsma heeft tot aan zijn dood in 1869 gewerkt aan het woordenboek, Wat hij er van klaar had, het traject A-Feer, is in 1872 postuum uitgegeven door zijn zoon Tjalling.

Halbertsma schreef zijn woordenboek vooral voor een internationaal publiek van taalwetenschappers. Met het oog op de doelgroep is de keuze voor het Latijn als voertaal van het woordenboek te verklaren en te [237] verdedigen (Sybrandy 1969:135). Jongsma (1933:91) is echter van mening dat Halbertsma voor de 'gewone' Fries een korte vertaling in het Nederlands had moeten toevoegen. Hij citeert met instemming Eekhoff (1873:60), die meent dat Halbertsma te weinig oog had voor de 'groote ontwikkeling van den lust voor taalstudie'. Vooral de 'ongeleerden' in Friesland zelf hadden nu niets aan het Lexicon.

Uit de (Latijnse) inleiding op het Lexicon Frisicum leren we dat Tjalling Halbertsma het betreurde dat zijn vader voor het Latijn gekozen had in het woordenboek. In de eerste plaats omdat daardoor vaak onnodig lange omschrijvingen gebruikt moesten worden, en in de tweede plaats omdat Halbertsma senior zich nogal eens vergiste met zijn Latijn. Sybrandy (1969:139) nuanceert het laatste bezwaar enigszins. Volgens hem staat het Latijn van een woordenboek in een heel andere traditie dan het zogenaamde klassieke Latijn. De woordenboeken die Halbertsma gebruikte, bijvoorbeeld dat van Kiliaan, hebben dezelfde Latijnse 'fouten' als het Lexicon. Bij het beoordelen van Halbertsma's Latijn zou daar meer rekening mee moeten worden gehouden. Dat de kwaliteit van het Latijn uit het woordenboek nogal wisselend is, bestrijdt Sybrandy overigens niet.
 
Een van de dingen die Halbertsma met het woordenboek wilde, was proberen om 'in de vermeende misslagen der Engelsche, Fransche en [238] Hollandsche etymologisten [ ... ] te voorzien' (Halbertsma 1829:IV). Halbertsma zat er met zijn eigen etymologieën overigens ook wel eens naast. Jongsma (1933:96) en Buma (1969:105) geven daar voorbeelden van. Volgens Kern (1874:82) was Halbertsma lang niet altijd 'doordrongen van 't gewicht der door Grimm op eene vaste rots gestichte historische taalvergelijking'. Buitenrust Hettema (1888:III) sluit zich [239] daarbij aan. Dibbets (1990:246-256) besteedt ruim aandacht aan Halbertsma als etymoloog. Hij is van mening dat het etymologisch werk van Halbertsma over het algemeen 'geen aanleiding [geeft] tot de negatieve generale uitspraak van Symons (1885:259): "Leider was und blieb das etymologisieren seine lust, und es lässt sich nicht leugnen, dass Halbertsma sich auf diesem schlupferigen boden nicht zu festen methode erhoben hat'- (Dibbets 1990:256).4Dibbets haalt liever Buma (1969:105) aan, die zegt dat Halbertsma 'Oer 't algemien [ ... ] op ôfliedkundich mêd net [= Ned. niet] sokke nuvere bûtensprongen makke [hat] as syn 19de-ieuske Hollânske fakgenoaten' (zie ook Brouwer 1941:23).

Het Lexicon is niet alfabetisch ingericht. Eerst wordt een grondwoord gegeven en daarna afleidingen en samenstellingen die met dat woord gevormd zijn. Het spreekt vanzelf dat Halbertsma's manier van ordenen de toegankelijkheid van het woordenboek niet ten goede komt. Zonder het register dat Tjalling Halbertsma op het woordenboek gemaakt heeft, zou het soms volkomen onmogelijk zijn om iets in het Lexicon te vinden. Voor een deel komt dat omdat Halbertsma niet altijd even systematisch te werk is gegaan.
Halbertsma was een man met een veelzijdige belangstelling. Van professie was hij predikant, maar hij had ook een levendige interesse voor onderwerpen als: oudheidkunde, Middelnederlands, Oudhoogduits, Scandinavische talen, economie, politiek, (kerk)geschiedenis en natuurlijk Friesland en de Friese taal. In het Lexicon vinden we regelmatig bewijzen van zijn brede belangstelling terug: 'Met zijn veelzijdigheid moest het een woordeboek worden als weinigen konden geven: een groot-breed lexicon van al de friese tongvallen, oudere en jongere; met historiese, ethnografiese, maatschappelike, mythologiese, kultuurhistoriese biezonderheden toegelicht' (Buitenrust Hettema 1905:568). Siebs (1897:552) is niet erg tevreden met de brede en ingewikkelde opzet van het Lexicon: 'Eine grosse fülle friesischen und vergleichenden materials ist darin [= het Lexicon AD] zusammengestellt, leider kritiklos: alte, neue und erfundene sprachformen, sicheres und mögliches und unmögliches ist zu einem kaum entwirrbaren ganzen vereint'. Jongsma (1933:96-97) keurt Halbertsma's 'sterke neiging tot afdwalen' af. Halbertsma geeft volgens hem te vaak informatie die niet ter zake doet, of beter in een encyclopedie op haar plaats zou zijn. In plaats van daar kritiek op te hebben, kan men, vindt Brouwer (1941:24), juist beter dankbaar zijn voor wat Halbertsma er allemaal zomaar op toe geeft (zie ook Buma 1969:105-106).

Vanwege de fouten in het Lexicon Frisicum, de onsystematische werkwijze, de onvolledigheid en andere onvolkomenheden, meent Jongsma (1933:97) dat het ons niet al te zeer hoeft te spijten dat Halbertsma het Lexicon niet af heeft kunnen maken. Brouwer (1941:23) is echter van mening dat 'niemand en niets ons het ontbreken van Halbertsma's vervolgen op het eerste deel kan vergoeden'. Brouwer spreekt in de geest van Grimm, die in 1856 aan Halbertsma schrijft: 'Ihre landsleute wären [240] undankbar wenn sie nicht Ihr andenken getreu bewahren' (Sijmons 1885:27).(naar index)

Het Friesch Woordenboek van Waling Dykstra e.a.5

Toen Halbertsma in februari 1869 stierf, had hij zijn bibliotheek en handschriften aan de provincie Friesland nagelaten met het verzoek om verder voor het woordenboekwerk zorg te dragen. Het zou tot juli 1879 duren voor Gedeputeerde Staten besloten om, na adviezen van G. Colmjon (1828-1884), destijds archivaris-bibliothecaris van Friesland, een volwaardig woordenboek van het Nieuwfries uit te geven. Het woordenboek zou geschreven worden volgens het model van het NederlandsFranse woordenboek van J.F.J. Heremans.6Halbertsma's lexicon en zijn handschriften zouden de basis zijn voor het nieuwe woordenboek,7maar de voertaal daarvan zou het Nederlands in plaats van het Latijn zijn. Het Latijn zou nog wel worden gebruikt om een korte vertaling van de trefwoorden te geven. Er werd een commissie van toezicht ingesteld, die bestond uit: J. van Loon (1821-1903), gedeputeerde en voorzitter van het Frysk Selskip, dr. Tj. (J.) Halbertsma (1829-1894), hoogleraar te Groningen en zoon van Joast Halbertsma, en Mr. Ph. van Blom (1824-1910), statenlid en president van de rechtbank in Heerenveen.

De eerste bewerker werd G. Colmjon, die eind 1884 stierf Hij had toen het traject A tot J klaar. Gedeputeerde Staten wezen op 30 juli 1885 de schrijver en taalkenner Waling Dykstra (1821-1914) aan als zijn opvolger. Zes jaar later, april 1891, had die het woordenboek in manuscript klaar. Maar het bleek dat er geen eenheid in het werk zat. Dat kwam vooral omdat Colmjon Halbertsma's werkwijze gevolgd had en Dykstra wat vrijer te werk was gegaan. Eind 1891 besloten Provinciale Staten het werk voort te zetten volgens een nieuwe regeling. Om het woordenboekwerk op een hoger peil te brengen en ook wegens het Latijn, dat gebruikt zou worden bij de vertalingen, werd in 1892 de taalkundige Foeke Buitenrust Hettema (1862-1922) erbij gehaald om mede de laatste hand aan het woordenboek te leggen. Men stond wel enigszins wantrouwend tegenover Hettema, aangezien hij, als medestander van Kollewijn, de spellinghervormer van het Nederlands, als te modern werd beschouwd. Vooral met Van Blom zou Hettema op een aantal punten ernstig van mening verschillen.
Met hulp van Hettema werd een net van correspondenten opgezet, die bijzondere vormen en woorden uit hun eigen dialect of streek doorgaven. Voor het verwerken van het nieuwe materiaal werd S.K. Feitsma (1850-1918) aangesteld, die later ook corrector zou worden. In elk geval zouden de, nogal afwijkende, dialecten van Hindeloopen, Molkwerum, Terschelling, Schiermonnikoog en Wierum in het woordenboek worden opgenomen, maar dat is niet altijd even goed gedaan en er is niet gestreefd naar volledigheid.

Hettema had nogal wat bezwaren tegen het werk zoals hij het aantrof Het was volgens hem niet systematisch genoeg en hij achtte de spelling [241] die in het woordenboek gebruikt werd niet geschikt om de uitspraak aan te geven. Daarom pleitte hij, met het oog op niet-Friese gebruikers, voor het apart aangeven van de uitspraak. Uiteindelijk is eigenlijk alleen de uitspraak van de zogenaamde brekingsgevallen (bijv. sg. beam [bI.@m] versus plur. beammen [bjEm@n]) in het woordenboek aangegeven, maar ook weer niet overal.

Hettema was vooral slecht te spreken over de wijze van verwerken van de citaten uit het werk van Friese schrijvers in het woordenboek. De citaten werden niet alleen omgezet in de geldende spelling, maar ook nogal eens bewerkt. Het was echter te laat om daar nog wat aan te veranderen. Hettema was een groot voorstander van het geven van zoveel mogelijk citaten, omdat volgens hem de betekenissen van de woorden beter aangegeven konden worden door te laten zien hoe die gebruikt werden dan door korte vertalingen.
Hettema was verder van mening dat het woordenboek het Fries moest geven zoals het, op schrift, maar vooral ook mondeling, in levend gebruik was, en niet alleen het Fries zoals het gebruikt zou moeten worden. Dat daardoor interferenties uit het Nederlands in het woordenboek zouden komen, achtte hij niet erg. Hettema werd in zijn opvatting dat het woordenboek een precies en eerlijk beeld van het Fries moest geven, gesteund door germanisten aan binnen- en buitenlandse universiteiten. Een precies en eerlijk beeld van woorden en uitdrukkingen op het gebied van de sexualia geeft het woordenboek in ieder geval niet. De commissie van toezicht liet daar steeds minder van passeren. 'Zelfs spreekwoorden ontsnapten niet altijd aan de censuur der fatsoenlijkheid en bescheidenheid', schrijft Feitsma (1905:13).

Al gauw maakte Hettema ook bezwaar tegen het geven van vertalingen in het Latijn en in de moderne talen; alleen het Nederlands was wel genoeg volgens hem. Bovendien vond hij het Latijn niet geschikt om te gebruiken bij het vertalen van levende volkstaal. De commissie van toezicht was het aanvankelijk niet met hem eens, maar in het uiteindelijke woordenboek zijn verreweg de meeste vertalingen in het Nederlands.
Van Blom en Hettema hadden vooral ernstig verschil van mening over het aantal citaten dat opgenomen moest worden en over welk Fries beschreven zou worden. Hettema wilde het liefst zoveel mogelijk citaten, terwijl Van Blom, die het Fries zag als een naar verhouding arme taal, juist vond dat wel volstaan kon worden met een minimum aan citaten. Hettema wilde in het woordenboek het levende Fries geven. Van Blom, daarentegen, wilde alleen maar het zogenaamde echte Fries opnemen en wat hij 'patois' noemde zoveel mogelijk weren.

In 1896 werd begonnen met de publicatie, in afleveringen, van het woordenboek. Toen konden ook buitenstaanders hun oordeel geven over het werk. Van de besprekers Siebs (1897), Van Helten (1898) en Gallée (1897) kreeg Hettema op sommige van zijn strijdpunten met Van Blom gelijk. Alle drie hebben ze kritiek op de voor niet-Friezen ondoorzichtige spelling, die verhelderd had moeten worden door een fonetische transcriptie. Siebs klaagde over de onsystematische opzet van [242] het woordenboek: de vertalingen van de lemmata werden steeds weer in een andere taal gegeven; de wijze van citeren was niet altijd gelijk en niet alle Friese zegswijzen en uitdrukkingen waren in het Nederlands vertaald. Van Helten zag het woordenboek als een verzameling Friese woorden en uitdrukkingen in de geijkte Friese schrijftaal en in de dialecten, met te weinig aandacht voor een wetenschappelijke beschrijving van het nog bestaande taalmateriaal.

Niettegenstaande de steun van wetenschappelijke kant voor Hettema, ging de strijd tussen hem en Van Blom gewoon door. Nadat Van Blom zijn positie in de commissie van toezicht had versterkt, stuurden Gedeputeerde Staten Hettema en Dykstra een nieuwe regeling van het werk toe. Hettema kon het daar niet mee eens zijn en in 1899 stapte hij op. Het woordenboekwerk werd door Dykstra en Feitsma voortgezet volgens de wensen van Van Blom. In 1905 kreeg Feitsma ook ontslag. Zowel Buitenrust Hettema (1900) als Feitsma (1905) heeft later zijn ontevredenheid over de gang van zaken bij het Friesch Woordenboek naar buiten gebracht.
 Het eerste deel(A-H) kwam uit in 1900, op naam van Dykstra, maar zonder twijfel sterk verbeterd door de medewerking van Hettema. Dat was ook de mening van J.J. Hof (1872-1958). In een recensie uit 1911,8geschreven bij het verschijnen van het derde en laatste deel van het woordenboek, stelde hij vast dat er in de buurt van de H een 'knik' [243] in het woordenboek zat. Hof had Hettema hoog als lexicograaf en meende dat hij nooit bij het woordenboek weg had moeten gaan. Hof kwam in zijn recensie ook op de onsystematische en inconsequente bewerking in het woordenboek. Hij verwonderde zich er vooral, en terecht, over dat er zo weinig opgenomen was van de woorden die hij geleverd had voor de Nalezing, een supplement op het hele woordenboek.(naar index)

Lexicografie bij de Fryske Akademy9

De onvolledigheid van het Friesch Woordenboek was meer mensen opgevallen. Sommigen probeerden daar wat aan te doen door het geven van lijsten met aanvullingen. Een van hen was Veendorp (1919), die met het voorstel kwam om al het niet beschreven taalmateriaal te verzamelen voor een uitgebreider woordenboek. Het liefst wilde Veendorp een Fries woordenboek laten samenstellen dat er ongeveer zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal uit zou moeten zien. In 1937 bracht R Sipma, lector Fries aan de universiteit van Groningen, het idee voor een nieuw Fries woordenboek weer naar voren. Uiteindelijk zou dat mede leiden tot de oprichting van de Fryske Akademy in 1938, met Sipma als voorzitterGeen wonder dus dat dadelijk al op de openingsdag van de Fryske Akademy de. lexicografische taken van de nieuwe stichting besproken werden.

Het Wurdboek fan de Fryske Taal/Woordenboek der Friese Taal

Eind 1938 kwam Sipma met een verder uitgewerkt lexicografisch plan, dat vooral inhield het opzetten van een grote alfabetisch ingerichte cartotheek, ook wel (woordenboek)apparaat genoemd. In deze cartotheek zou zo volledig als maar mogelijk was, alle Fries, inclusief de dialecten, van nu en eerder (in de praktijk vanaf 1800) vastgelegd moeten worden. In elk geval moest het materiaal uit bestaande woordenboeken, studies, verzamelingen, enz. in de cartotheek opgenomen worden. Verder zou aandacht gegeven moeten worden aan vaktalen van verschillende ambachtslieden, dialectwoorden, spreekwoorden en zegswijzen. Het plan was zo ambitieus, dat het niet anders dan met hulp van vrijwilligers uitgevoerd kon worden, die zich bij het excerperen van teksten vooral toelegden op het optekenen van woorden die niet in het Friesch Woordenboek stonden. Er werd in 1939 wel een lexicografische commissie ingesteld, maar het bleef onduidelijk wat voor soort woordenboek er op grond van de cartotheek geschreven zou worden. De cartotheek, voorzover die klaar was, werd wel gebruikt bij het schrijven van een kleiner woordenboekje, het Lyts Frysk Wirdboek (deel I Fries-Nederlands), dat in 1944 uitkwam (zie verder hieronder).

In 1950 werd een adviescommissie voor het woordenboek ingesteld en toen kwam er wat meer schot in de zaak. Er werden weer vrijwilligers opgeroepen om de verzameling van 125.000 fiches in de cartotheek uit te breiden. Als een soort van vingeroefening werd ondertussen [244] gewerkt aan een Fries-Nederlands/Nederlands-Fries handwoordenboek (zie verder hieronder).

In 1954 had een woordenboekcommissie zich gebogen over de opbouw van de cartotheek. De commissie kwam tot de conclusie dat op grond van de 300.000 kaartjes die tot dan toe verzameld waren, geen wetenschappelijk woordenboek geschreven kon worden. Kritiekpunten waren onder meer dat er in de cartotheek te weinig materiaal zat van woorden die al in het Friesch Woordenboek stonden, en dat de excerpeurs te weinig aandacht besteed hadden aan de functiewoorden. De commissie adviseerde om een tweede cartotheek te realiseren, waar stukken tekst integraal in opgenomen moesten worden. Met hulp van vrijwilligers werd in de jaren 1956 tot en met 1958 de tweede cartotheek opgebouwd, die de naam van trochsneedapparaat (doorsneeapparaat) kreeg. Daar zaten toen alle woorden in uit een selectie van 4875 pagina's tekst uit de periode 1800-1950. De oude cartotheek, in de wandeling het 'âlde apparaat' genoemd, werd telkens nog bijgewerkt.

Eind 1958 werden de contouren van het woordenboek wat beter zichtbaar. Er werd toen gedacht aan een niet-normatief woordenboek van het Fries vanaf 1800, met ongeveer de grootte van een Van Dale. Sipma, inmiddels geen FA-voorzitter meer, was van mening dat de voertaal van het woordenboek het Fries moest zijn en daarmee gooide hij de knuppel in het hoenderhok. In de woordenboekcommissie kon men het niet eens worden over de voertaalkwestie. Sommige leden kozen om wetenschappelijke en ideologische redenen voor het Fries. De lexicografen in de commissie waren voor het Nederlands als voertaal, met als argumenten dat daardoor beknopter gewerkt kon worden en dat door het Nederlands het woordenboek beter toegankelijk zou zijn voor niet-Friestaligen. Uiteindelijk legde het bestuur van de Fryske Akademy de beslissing in handen van wetenschappelijk directeur prof dr. J.H. Brouwer. Die koos om redenen van praktische bruikbaarheid voor mensen in en buiten Friesland, en ook vanwege de mogelijkheden om subsidie te krijgen, voor het Nederlands als voertaal. Het bestuur nam die keuze over. Het laatste woord over de voertaal van het woordenboek was echter nog niet gezegd.

In 1960 had de redactie in Oanwizingen by it skriuwen fan it GFW (Great Frysk Wurdboek)10regels opgesteld waar men zich bij het redigeren aan moest houden. Toen kon, eindelijk, het schrijven beginnen. Het [245] tempo lag echter al gauw niet zo hoog meer, o.a. doordat de redactie zich ook met andere zaken dan woordenboekschrijven bezig moest houden. De oude cartotheek werd nog wel steeds bijgewerkt.
In de jaren zeventig werd de personele situatie, door financiële steun van de overheid, aanmerkelijk beter. In 1977 waren er zes redacteuren, die volgens de in 1974 bijgestelde handleiding het woordenboek redigeerden. Doordat er steeds meer bronnen geëxcerpeerd waren, moesten de eerdere concept-woordenboekartikels regelmatig aangevuld worden. Het bleek ook dat er te weinig eenheid in het werk van de verschillende redacteuren zat. Een andere belemmering voor de publicatie van het eerste deel van het WFT was de in 1976 aangekondigde spellingwijziging, die inging in 1980. Voor de redactie betekende dat dat veel lemmata in het woordenboek herspeld en verplaatst moesten worden.

In 1982 bracht dr. L.G. Jansma, wetenschappelijk directeur van de FA, op grond van wetenschappelijke en ideologische argumenten, de voertaalkwestie weer naar voren, Dat veroorzaakte veel opschudding binnen en buiten de FA. Het grootste deel van de toen zittende woordenboekredactie was, om praktische redenen, tegen een eentalig WFT. Het zou alleen maar langer duren voor het WFT gepubliceerd zou kunnen worden en het project zou er veel te duur van worden. Een meerderheid van het FA-hoofdbestuur steunde echter Jansma, en in januari 1983 werd besloten om de voertaal van het WFT te veranderen. Maar de minister van Onderwijs en Wetenschappen stak daar een stokje voor. Het bestuur legde zich bij het besluit van de minister neer en toen stond niets meer publicatie van het WFT in de weg.

Eind 1984 verscheen het eerste deel van het WFT, waar o.a. in te lezen was dat er nog een 15 à 16 delen zouden volgen. Later bleek dat die schatting te laag was; er wordt nu gedacht aan 22 delen. Vergeleken met de oorspronkelijk geraamde grootte van ongeveer een Van Dale, is het project in de loop van de jaren dus aanmerkelijk ambitieuzer van opzet geworden.

Het WFT zoals het ten slotte geworden is, kan omschreven worden als: een wetenschappelijk, alfabetisch, in het Nederlands verklarend, historisch woordenboek, dat het Fries van de periode 1800-1975 beschrijft. Door de keuze voor het Nederlands als voertaal heeft het woordenboek een hybridisch karakter gekregen. Aan de ene kant is het een verklarend woordenboek, doordat er omschrijvende definities gebruikt worden, en aan de andere kant is het een vertaalwoordenboek, doordat er vaak wordt volstaan met een vertaling. Dat laatste is vooral het geval bij samengestelde woorden. Sommige van de jongste generatie redacteuren hebben meer en meer de neiging betekenisomschrijvingen te geven waar volgens de 'Aanwijzingen voor het gebruik' (WFT deel I, p. xxv) een korte vertaling had kunnen volstaan.

Door de recensenten is het WFT over het algemeen gunstig ontvangen. Er is nogal eens commentaar op het etymologische deel van de artikels, omdat dat meestal slechts bestaat uit verwijzingen naar andere talen (zie bijvoorbeeld Niebaum (1986:129), Tiersma (1986:282), [246] Heestermans (1988:80) en Århammar (1990:2027). Tiersma (1986:280, 283) is van mening dat er wat meer aandacht had kunnen zijn voor de gebruiker buiten Nederland. Hij vindt het minder gelukkig dat bij de betekenisomschrijvingen of de vertalingen de Engelse equivalenten niet gegeven worden. Verder meent hij dat er voor de buitenlandse gebruiker te veel kennis van de fonologie en de spelling van het Fries voorondersteld wordt, waardoor hij het te vaak zonder uitspraakinformatie moet stellen.

Andere woordenboeken en -lijsten van de FA

Het eerste woordenboek dat bij de FA uitkwam was het Lyts Frysk Wirdboek (LFW) (deel I Fries-Nederlands) (1944), dat de vermeerderde tweede druk is van het Lyts Frysk Wirdboek van Wumkes en De Vries uit 1934. Het LFW van 1944 is ook het eerste woordenboek waar de cartotheek van de FA voor gebruikt is. Beide drukken van het LFW zijn zeer eenvoudig van opzet.

In 1952 kwam een Nederlands-Fries woordenboek uit, dat echter niet het tweede deel van het LFW is, maar het tweede deel van een nieuw Frysk Wurdboek. Pas in 1956 kwam het eerste deel, Fries-Nederlands, uit. Bij het schrijven van beide woordenboeken is gebruik gemaakt van de FA-cartotheek. Het woordenboek van 1956 wordt in het voorwoord zelfs gepresenteerd als de sleutel op het woordenboekapparaat en als basis voor het Great Frysk Wurdboek dat daar in de toekomst uit samengesteld moet worden. In 1971 zijn beide delen opnieuw uitgebracht, ditmaal samen in één band.

De FA kwam in 1984 met het Frysk Wurdboek, deel 1 (Fries-Nederlands), volgens het voorwoord het vervolg op het woordenboek 1956, dat bij het schrijven van het nieuwe woordenboek ook weer gebruikt is. Verder is gebruik gemaakt van de oude cartotheek, toen een 500.000 kaartjes groot, en bovendien van de manuscripten van het WFT voorzover die voorhanden waren. Aan het verschil in detail waar het gaat om de semantische indeling van de lemmata, kan men duidelijk merken waar WFT-manuscripten van waren en waar niet van. Het hybridische karakter van het WFT vindt men ook in dit woordenboek terug: er wordt vaak een omschrijving gegeven waar men met een vertaling toe had gekund. Nieuw in vergelijking met 1956 is het geven van uitspraakinformatie. Zeer opvallend vergeleken met de eerdere handwoordenboeken is de grote vrijmoedigheid wat betreft het geven van woorden uit de taboesfeer, vooral van die op het gebied van het seksuele (Scholten 1985).

Deel II van het Frysk Wurdboek (Nederlands-Fries) kwam uit in 1985. Dit woordenboek mag niet beschouwd worden als een verbeterde en uitgebreide versie van dat uit 1952, aangezien er met behulp van enkele Nederlandse woordenboeken een geheel nieuwe macrostructuur is vastgesteld. Het woordenboek van 1985 is puur bedoeld als vertaalwoordenboek, maar voldoet als zodanig niet helemaal, omdat er te weinig synoniemen in gegeven worden (De Haan 1986).

Dykstra en Reitsma brachten in 1987 het Omkearwurdboek fan de Fryske Taal [247] uit. Het Omkearwurdboek geeft een retrograde overzicht van alle lemmata uit het woordenboek van 1984. Dykstra, Reitsma en Visser lieten in 1992 een tweede druk verschijnen, waarin ook lemmata uit het WFT zijn opgenomen.
Door de 'Wurkgroep Fryske wurden en -útdrukkingen', waar ook de FA bij betrokken was, is onder de titel Lytse oanrikkemandaasje (1980) een Nederlands-Friese woordenlijst van ambtelijke woorden samengesteld. Het boekwerkje wil een aanvulling zijn op de handwoordenboeken van de FA. Als een soort vervolg op de Lytse oanrikkemandaasje kan beschouwd worden de Nederlands-Friese Wurdlist foar it offisjele ferkear, die in 1986 door de FA gepubliceerd is (een verbeterde en aangevulde druk kwam uit in 1989).

Uiteraard kunnen handwoordenboeken relatief weinig ruimte geven aan vreemde, uit een andere taal overgenomen, woorden. Voor de juiste spelling van zulke woorden kan men dus niet altijd bij de woordenboeken terecht. Bovendien was er geen duidelijke regeling voor het spellen van vreemde woorden. Er was daarom behoefte aan een hulpmiddel. Meerburg kwam in 1952 met een tweetalige List fan frjemde wurden. Met de nieuwe provinciale regeling voor het spellen van vreemde woorden van 1982, kwam de lijst uit 1952 te vervallen. Er bleef evenwel onduidelijkheid (ook in de FA-woordenboeken). De Nije list fan frjemde wurden (Oosterhaven 1993) was wat dat betreft zeker niet overbodig. Het gaat hier trouwens niet om een door de provincie vastgestelde lijst.

Tegenwoordig wordt bij de FA nog gewerkt aan twee handwoordenboekprojecten. Het eerste is een eentalig Fries woordenboek. Dat woordenboek zal het eerste zijn dat op een wetenschappelijk verantwoorde wijze de lemmata in het Fries zal omschrijven. In het nieuwe eentalige woordenboek wordt het 20ste-eeuwse Fries beschreven. Als bronnen worden het WFT en het FA-computercorpus1120ste-eeuwse teksten gebruikt.
Het tweede project dat nog loopt is het Fries-Engels woordenboek. Dykstra (1989) maakt duidelijk dat geprobeerd wordt om met het FriesEngels woordenboek zowel de passieve als de actieve gebruiker te gerieven. Met andere woorden: er wordt naar gestreefd om het woordenboek zowel voor Engels- als Friestaligen bruikbaar te maken. Het Fries-Engels woordenboek beperkt zich tot het 20ste-eeuwse Fries. Bij het schrijven wordt gebruik gemaakt van het WFT, het computercorpus 20ste-eeuwse teksten, en de conceptteksten van het Fries-Fries woordenboek.

Lexicografie buiten de Fryske Akademy

Het eerste Nederlands-Friese woordenboek kwam uit in 1918. Het was van de hand van Wumkes en De Vries. De schrijvers zeiden in het voorwoord dat zij, als leken, geen wetenschappelijke pretenties hadden met hun woordenboek. Hun belangrijkste doel was om een bruikbaar hulpmiddel te geven aan iedereen die zich bezighield met het produceren van geschreven Fries. Wumkes en De Vries hebben dus het eerste [248] actieve woordenboek van het Fries geschreven, het eerste woordenboek dat zich richt op het produceren van Friese teksten, in plaats van op het begrijpen daarvan, Als zodanig kan het woordenboek 1918 beschouwd worden als een belangrijke stap vooruit in de Friese lexicografie.

Dezelfde auteurs brachten in 1934 het Fries-Nederlandse Lyts Frysk Wirdboek uit. Dit woordenboekje is zeer eenvoudig van opzet en moet gezien worden als een soort van schoolwoordenboekje, te gebruiken voor les en leergang.

Het zou tot 1991 duren voor er een woordenboek uitkwam dat speciaal gemaakt is voor het gebruik op scholen. Het bijzondere van dit Frysk Skoalwurdboek (G. Vledder en T. de Jager-de Boer), is dat het het eerste woordenboek is dat het Fries als voertaal heeft. Jammer genoeg kan men aan bijna alles merken dat beide auteurs goedwillende amateurs zijn (Dykstra 1992).

Het Skoalwurdboek is uitgegeven bij de Algemiene Fryske Underrjocht Kommisje (AFUK). In het fonds van de AFUK vinden we nog meer lexicografische werken. Te beginnen bij het Klein Fries Woordenboek (1972) van H. Pebesma (eerder uitgegeven door Van Goor). Het woordenboekje is bij de AFUK herzien en vermeerderd door A. Zantema. D. Eisma gaf in 1989 onder de titel Sa hat it sitten een verzameling apologische spreekwoorden uit. In 1992 is het Frysk Puzelwurdboek van Douwe van der Meulen verschenen. Dat woordenboek is uiteraard bedoeld voor puzzelaars, maar doordat het veel synoniemen geeft en ook woorden ordent volgens rubrieken als vaartuigen, kleding en lichaamsdelen, is het Puzelwurdboek een welkome aanvulling op de handwoordenboeken van de FA.

Ten slotte noem ik hier nog de volgende werken. Het Frisisk-Dansk Ordbog van V. Tams Jørgensen (1968), in één band uitgebracht met het Deensk-Frysk Wurdboek van Teake Hoekema; het, bescheiden en minder betrouwbare, Frisian-English Dictionary van Raymond John Fisher (1986), dat in één band een Fries-Engels en een Engels-Fries deel heeft, en de spreekwoordenverzamelingen van Wybenga (1974) en Beintema (1983 en 1990).

Tot besluit

Het taalgebied in aanmerking genomen, is de lexicografische infrastructuur van het Fries zonder meer uitzonderlijk te noemen. Veel is daarbij te danken aan Joast Hiddes Halbertsma, die met zijn Lexicon Frisicum (1872) de basis legde. Het werk van Halbertsma diende als uitgangspunt voor het Friesch Woordenboek (1900-191l), dat op zijn beurt aanleiding gaf tot het schrijven van het Wurdboek fan de Fryske Taal/Woordenboek der Friese Taal (1984-...). Momenteel is bij de FA een Middelfries woordenboek in voorbereiding, en het is de bedoeling dat er ook nog een Oudfries woordenboek komt. Wanneer die beide laatste woordenboeken er zijn, zal eindelijk Halbertsma's ideaal, het beschrijven van het Fries van alle tijden, een feit zijn.

*: Dit artikel is eerder gepubliceerd in Trefwoord 9 (1994), 28-40; het is een vertaalde en bewerkte versie van het hoofdstuk Skiednis fan 'e Nijfryske leksikografy, te verschijnen in het boek Skiednis fan 'e Fryske Taalkunde (eind 1999). Dank aan de FA-collega's die dit stuk hebben gelezen en van commentaar hebben voorzien. Een herdruk van dit artikel verscheen in Nicoline van der Sijs (red.), Woordenboeken en hun makers (1998:234-252). De paginanummers van de laatste publikatie zijn tussen vierkante haken [ ] gegeven.
(terug)

Noot 1: [234] Hoewel niet geheel onomstreden, is de indeling in perioden voor liet Fries als volgt: De grens tussen Oud- en Middelfries ligt rond 1550. Als Middelfries wordt beschouwd het Fries van de dichter Gysbert Japix (1603-1666) en de literatuur uit de 17de en 18de eeuw. Het Moderne Fries wordt geacht te beginnen in 1800. De term Westerlauwers wordt gebruikt om het Fries dat in de provincie Friesland gesproken wordt te onderscheiden van het Fries dat ten oosten van de Lauwers, in Duitsland dus, gesproken wordt. Wanneer ik in dit artikel de aanduiding Nieuwfries gebruik, dan bedoel ik het Fries dat sinds 1800 gesproken wordt in de Nederlandse provincie Friesland.
(terug)

Noot 2: [235] Brouwer (1941:11) geeft daar voorbeelden van. Vergelijk ook Van Essen (1983:l): 'we repeatedly came up against a problem that we are inclined to regard as typical of the history of ideas: the problem that, even though the influence of A on B can be established with a high degree of likelihood, there always remains the possibility of B having arrived at A's views independently'.
(terug)

Noot 3: [236] Met Breuker (1981:16) en De Tollenaere (1981:199) ben ik van mening dat dit citaat hoogstwaarschijnlijk de basis is geweest voor het motto 'De taal is de ziel der natie, zij is de natie zelve', voorin het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Mijns inziens neemt Van Sterkenburg (1992:203-204) ten onrechte Halbertsma (1829) als bron voor het motto aan. Van Sterkenburg geeft overigens niet aan waar we in Halbertsma (1829) het citaat moeten zoeken. Ik neem aan dat hij zich baseert op p. xii: 'De taal neemt altijd de kleur der ziel aan, zo dat de eigene woorden een innig besef van den waren toon van het hart mededelen, hetwelk de bekwaamste pen te vergeefsch zou pogen uit te drukken'. De begrippen taal en ziel staan hier echter in een andere relatie tot elkaar dan in het motto; bovendien is er sprake van een individu. terwijl het motto spreekt van een natie.
(terug)

Noot 4: [239] Dibbets citeert uit: B. Symons, 'Briefwechsel zwischen Jacob Grimm und ].H Halbertsma'. Zeitschrift für deutsche Philologie 17, 257-292. De 'Briefwechsel' is ook los verschenen. Symons heet dan evenwel Sijmons en het in de tekst vermelde citaat staat op p. 3 als: 'Leider war und blieb das etymologisieren seine lust, und es lässt sich nicht leugnen, dass Halbertsma sich auf diesem schlüpfrigen boden nicht zur festen rnethode erhoben hat.'
(terug)

Noot 5: [240] Deze paragraaf is voor een belangrijk deel gebaseerd op Dykstra (1949), Miedema (1961) en Poortinga 1971).
(terug)

Noot 6: [240] J.F.J. Heremans, Nederlandsch-Fransch Woordenboek (Henri Bogaerts, ‘s Hertogenbosch / J.P. van Dieren et Comp., Antwerpen 1869; heruitgave: W. Rogghé, Gent 1871).
(terug)

Noot 7: [240] Als aandenken daaraan heeft het Friesch Woordenboek tussen haakjes als ondertitel: Lexicon Frisicum.
(terug)

Noot 8: [242] Hof heeft over het Friesch Woordenboek geschreven in het Nieuwsblad van Friesland (28.6, en 8, 19, 22 en 26.7.1911). De belangrijkste gedeelten daaruit zijn weergegeven in Hof (1941).
(terug)

Noot 9: [243] Deze paragraaf is vooral gebaseerd op het uitgebreide overzicht van de lexicografie bij de FA door Van der Veen (1988). Detailinformatie over inhoud en opbouw van de woordenboekartikels van het WFT is te vinden in de gebruiksaanwijzing in deel I.
(terug)

Noot 10: [244] Dat was de werktitel voor wat later het Wurdboek fan de Fryske Taal (WFT) zou worden.
(terug)

Noot 11: [247] Voor een beschrijving van het 20ste-eeuwse corpus zie Dykstra en Reitsma (1993).
(terug)

Literatuur
  • Århammar, Nils (1990). 'Friesische Lexikographie', in: Franz Josef Hausmann et al eds. Wörterbücher/Dictionaries/Dictionnaires. Ein internationales Handbuch zur Lexikographie/An International Encyclopedia of Lexicography/Encyclopédie internationale de lexicographie. Berlin, New York, Zweiter Teilband/Second Volume/Tome Second, pp. 2022-2036.
  • Beintema, T. (1983). Wiere wurden. Sprekwurden en Sei-siswizen, Boalsert.
  • Beintema, T. (1990). Moai sa Sikke. Goed zo Sicco. Frysk sprekwurdeboek mei Nederlânske oersetting, ferklearring of taljochting, Drachten/Ljouwert.
  • Breuker, Ph. H. ( 1981). 'Halbertsma syn motto "De taal is de ziel der natie-, in: Ut de Smidte fan de Fryske Akademy, 15, maart 1981, p. 16.
  • Brouwer. J.H. (1941). Joost Hiddes Halbertsma. Fries taalkundige (1789-1869). Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt aan de rijksuniversiteit te Groningen op 18 oktober 1941, Assen.
  • Buitenrust Hettema, F. (1888). Bijdragen tot het Oudfriesch Woordenboek, [diss.] Leiden.
  • Buitenrust Hettema, F. (1900). 'De bewerking van het Fries Woordenboek', in: Museum. Maandblad voor Philologie en Geschiedenis, 7, 1899, fébr. 1900, pp. 373-377.
  • Buitenrust Hettema, F. (1905). 'Twee Friezen (Gysbert Japiks. J.H. Halbertsma) , in: Groot Nederland. Letterkundig maandschrift voor den Nederlandschen stam, ii, pp. 529-570.
  • Buma, W.J. (1969). 'Dr. J.H. Halbertsma as wurdboekman', in: Joast Hiddes Halbertsma, 1789-1869. Brekker en bouwer, Drachten, pp. 102-111.
  • Buwalda, H.S., G. Meerburg, en Y. Poortinga (1952-1956). Frysk Wurdboek, Nederlânsk-Frysk (1952), Frysk-Nederlânsk (1956), Bolswert. (2de druk in één band, Fryske Akademy 197l).
  • Dibbets, G.R.W (1990). 'Etymologie en filologie', in: A. Moerdijk, e.a. (eds) Honderd jaar etymologisch woordenboek van het Nederlands, 's-Gravenhage, pp. 237-260.
  • Dijkstra, Waling, e.a. (1900-191l). Friesch Woordenboek (Lexicon Frisicum). Deel I, A-H (1900); Deel II, I-P (1903); Deel III, R-W en Nalezing (1911), Leeuwarden. Reprint 1971: (Varia Frisica vin), Leeuwarden/ Amsterdam.
  • Dykstra, Anne (1989). 'Nei in Frysk/Ingelsk wurdboek', in: It Beaken, LI, 3, pp. 135-155.
  • Dykstra, Anne (1992). Wurdboekskriuwen is net samar wat', in: Tydskrift foar Fryske Taalkunde, 7, 1, pp. 18-22.
  • Dykstra, Anne (1994). 'J.H.Halbertsma, J. Grimm en Matthias de Vries over sexualia in het woordenboek', hierboven herdrukt (oorspronkelijk gepubliceerd in: Trefwoord, 7, pp. 47-49).
  • Dykstra, A. en J. Reitsma (1987). Omkearwurdboek fan de Fryske Taal. Ljouwert.
  • Dykstra, Anne en Jogchum Reitsma (1993). 'De struktuer en de 0ynhâld fan 'e Taaldatabank fan it Frysk', in: It Beaken, 55, 2, pp. 55-82.
  • Dykstra, A., J. Reitsma en W Visser (1992). Omkearwurdboek fan de Fryske Taal, (2de, vermeerderde, druk) Ljouwert.
  • Dykstra, J.W. (1949). Waling Dykstra syn libben en syn wurk, Boalsert.
  • Eekhoff, W (1873). 'Aanteekeningen bij het leven van Halbertsma', in: De Vrije Fries, xii, pp. 51-81.
  • Eisma, D. (1989). Sa hat it sitten... Sei-siswizen yn it Frysk, Ljouwert. Epkema, E. (1824). Woordenboek op de gedichten en verdere geschriften van Gijsbert Japicx, Leeuwarden.
  • Essen, A.J. van ( 1983). E. Kruisinga. A Chapter in the History of Linquistics in The Netherlands, Leiden.
  • Feitsma, S.K. (1905). Een kijkje binnen de werkplaats van het Friesch Woordenboek, Kampen.
  • Fisher, Raymond John (1986). Frisian-English [+ English-Frisian] Dictionary, Denver/Colorado.
  • Friesch Woordenboek ® Dijkstra e.a. 1900-1911.
  • Frysk Wurdboek ' Buwalda/Meerburg/Poortinga 1952/1956, Visser 1985 en Zantema 1984.
  • Galama, E.G.A. (1965). Everwinus Wassenbergh en de Friese Lexicografie. Leiden.
  • Gallée, J.H. (1897). 'Frisica', in: De Nederlandsche Spectator pp. 398-401. -Gosses, G. (1933). 'Ut 'e Wassenbergh-skoalle', in: De Weitsrop Moanneskrift wijd oan de bifoardering fan Frysk Underrjucht, x/m/xii, pp. 305-308.
  • Haan, R. de (1986). (Recensie van) 'Willem Visser, Frysk Wurdboek 2 nederlânsk-frysk [ ... ], in: Tydskrift foar Fryske Taalkunde, 2, 2, pp. 57-65.
  • Halbertsma, J.H. (1829). Het geslacht der Van Haren's. Fragmenten, Deventer.
  • Halbertsma, J.H. (1851). Aanteekeningen op het vierde deel van den Spiegel Historiael van Jacop van Maerlant. Deventer.
  • Halbertsma, Justus [= J.H.] (1872). Lexicon Frisicum. A -Feer. Post auctoris mortem edidit et indices adiecit Tiallingius Halbertsma Justi filius, Deventer.
  • Heestermans, H. (1988). (Recensie van) 'K.F. van [der] Veen e.a., Wurdboek fan de Fryske taal', in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 104, pp. 79-80.
  • Helten, W van (1898). (Recensie van) 'Friesch Woordenboek, bewerkt door Waling Dijkstra en Dr. F. Buitenrust Hettema, benevens Lijst van Friesche eigennamen, bewerkt door Johan Winkler [ ... ]. Afl. 17', in: Museum. Maandblad voor Philologie en Geschiedenis, 6, kolom 49-50.
  • Hoekema, Teake (1968). Deensk-Frysk wurdboek. Mei in koarte Deenske foarmleare, Groningen. [zie Jorgensen (1968)1
  • Hof, J.J. (1911) ® Hof, J.J. (1941)
  • Hof, J.J. (1941). 'It Frysk wurdboek ré', in: Fjirtich jier taelstriid. Tredde diel, Dokkum, pp. 39-48.
  • Jongsma, PA. (1933). Dr. J.H. Halbertsma. Een bijdrage tot de kennis van zijn persoon, zijn denkbeelden en zijn arbeid, [diss.] Sneek.
  • Jørgensen, V Tams (1968). Frisisk-Dansk ordbog. Med en kortfattet frisisk formlære, Groningen. [zie Hoekema (1968)].
  • Kern, H. (1874). (Recensie van) 'Lexicon Frisicum. A-Feer. Composuit Justus Halbertsma, Hiddonis filius', in: De Taal- en Letterbode, V, 3, pp. 82-84.
  • Lytse oanrikkemandaasje (1980). Lytse Oanrikkemandaasje. Wurdlist fan amtlike wurden (Nederlânsk- Frysk), Ljouwert.
  • Meerburg, G.A.G. (1952). List fan fijemde wurden, Leeuwarden.
  • Meulen, Douwe van der (1992). Frysk Puzelwurdboek, Ljouwert.
  • Miedema, H.T.J. (1961). Paedwizers fan de Fryske filology, [diss] Ljouwert/Leeuwarden.
  • Niebaum (1986). (Recensie van) 'Wurdboek fan de Fryske Taal. Deel 1: a-behekst', in: It Beaken, XLVIII, pp. 127-130.
  • Oanrikkemandaasje ® Lytse oanrikkemandaasje (1980).
  • Omkearwurdboek ® Dykstra en Reitsma 1987 en Dykstra, Reitsma en Visser 1992.
  • Oosterhaven, Beart (1993). Nije List fan Frjemde Wurden, Ljouwert.
  • Pebesma, H. (1972). Van Goors Klein Fries woordenboek, Den Haag. Tweede druk Ljouwert (AFUK) en Den Haag (Van Goor) (1976). Derde druk herzien en uitgebreid door A. Zantema, Ljouwert (AFUK) en Amsterdam/Brussel (Elsevier) (1980). Vierde druk idem (1982).
  • Piebenga, J. ( 1939). Koarte Skiednis fen de Fryske Skriftekennisse. Dokkum.
  • Poortinga, Y (1971). 'Inleiding', in: Reprint van het Friesch Woordenboek 1900-1911. (Varia Frisica viii), pp. 1-20.
  • Scholten, Koop C. (1985). (Recensie van) 'Frysk Wurdboek 1, frysk nederlânsk. Hânwurdboek fan 'e Fryske taal gearstald troch J.W. Zantema. Leeuwarden/Ljouwert (1984) in: Tydskrift foar Fryske Taalkunde, 2, pp. 50-60.
  • Siebs, Theodor (1897). (Recensie van) 'Friesch Woordenboek, bewerkt door Waling Dijkstra en dr. F. Buitenrust Hettema, benevens lijst van friesche eigennamen, bewerkt door Johan Winkler [ ... ] Aflevering l.', in: Zeitschrift für deutsche Philologie, 29, Heft 4, pp. 552~557.
  • Sijmons, B. (1885). Briefwechsel zwischen Jacob Grimm und J.H. Albertsma (sic). Aus Band xvii der Zeitschrift für deutsche Philologie. Halle a. S.
  • Sipma, R en Y. Poortinga (1944). Lyts Frysk Wirdboek. I. Frysk-Nederlânsk. Twadde printinge [de titelpagina geeft 1944, door de oorlogsomstandigheden is het LFW in werkelijkheid pas in 1945 uitgekomen] [voor de eerste druk zie Wumkes en de Vries (1934) ].
  • Sterkenburg, P.G.J. van (1992). Het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Portret van een Taalmonument, Sdu Uitgevers, Den Haag.
  • Sybrandy, S. (1969). 'J.H. Halbertsma en it Latyn fan it Lexicon', in: Joast Hiddes Halbertsma, 1789- 1869. Brekker en bouwer, Drachten, pp. 135-142.
  • Tiersma, PM. (1986). 'Two New Frisian Dictionaries', in: Dictionaries. Journal of the Dictionary Society of North America, 8, pp. 279-286.
  • Tollenaere, F de ( 1981). "' De Tael is gantsch het Volk '-, in: Ons Erfdeel. Algemeen-Nederlands tweemaandelijks cultureel tijdschrift, 24, pp. 189-199.
  • Veen, K.F. van der (1988). 'Leksikografy by de Fryske Akademy', in: It Beaken, L, 3, pp. 175-194.
  • Veen, K.F. e.a. (1984-...). Wurdboek fan de Fryske Taal/Woordenboek der Friese Taal, Ljouwert.
  • Veendorp, G.R. (1919). 'Friesch Woordenboek', in: Swanneblommen. Tiidskrift for Fryske Tael- en Skiedkinde, I, pp. 74-78.
  • Visser, W (1985). Frysk Wurdboek. Diel 2, Nederlânsk-Frysk, Leeuwarden/Ljouwert. (Vierde, verbeterde druk in 1992).
  • Vledder, Geart en Tetty De Jager-de Boer (199l). Frysk Skoalwurdboek. Taalstipe foar it basis- en fuortset ûnderwiis, Ljouwert.
  • Wassenbergh, Ev. (1802). 'Idioticon Frisicum. of Woordenboek van Bijzonder in Friesland gebruikelijke Woorden, en Spreekwijzen', in: Taalkundige Bydragen tot den Frieschen Tongval. 1. Stuk, Leeuwarden, pp. 1-134.
  • Wirdboek (Lyts Frysk) ® Wumkes en de Vries 1934 en Sipma en Poortinga 1944.
  • Woordenboek (Nederlandsch-Friesch) ® Wumkes en de Vries 1918.
  • Wumkes, G.A.en A.[H.] de Vries (1918). Nederlandsch-Friesch woordenboek. Snits.
  • Wumkes, G.A.en A.H. de Vries (1934) Lyts Frysk Wirdboek, Boalsert.
  • Wurdboek fan de Fryske Taal (WFT) ® Van der Veen e. a. 1984-...
  • Wurdlist ( 1986). Wurdlist foar i t offisjele ferkear. Taalburo Fryske Akademy, Ljouwert. (Tweede, verbeterde en aangevulde druk 1989).
  • Wybenga, A.M. (1974). Libbenswiisheit. In samling Fryske sprekwurden en sizwizen, Ljouwert.
  • Zantema, J.W. (1984). Frysk Wurdboek. Diel 1, Frysk-Nederânsk, Leeuwarden/Ljouwert. (Zevende, verbeterde druk in 1992).
 
 

Makke mei Plone