Persoanlik ark
Jo binne hjir: Thússide Uitgaven Trefwoord Jaargang 1999 J.H. Halbertsma, J. Grimm en Matthia de Vries
Dokumint aksjes

J.H. Halbertsma, J. Grimm en Matthia de Vries

J.H. Halbertsma, J. Grimm en Matthias de Vries over sexualia in het woordenboek
door Anne Dykstra (eerder verschenen in Trefwoord 7, februari 1994)

Dr. Joast Hiddes Halbertsma (1789-1869), de founding father van de lexicografie van het Moderne Fries, had als romanticus pur sang veel belangstelling en waardering voor de volkstaal, die hij onnoemelijk veel hoger achtte dan de deftige, gekuiste boekentaal1. Halbertsma bejubelde Kiliaan, die volgens hem 'als een echt taelgeleerde van het beginsel uit[ging], dat de boekentael alleen de tael niet is, maer slechts een deel der tael, hoe gewichtig dan ook om haer privilegie'2. Halbertsma moest dan ook niets hebben van normatieve grammatica. Het is de 'hoogste en de laatste roeping van den grammaticus, om de wetten, volgens welke de analogia innata zich uit, te verspieden, en in plaats van de regels zijner willekeur aan de taal op te dringen, voor die wetten, als de stem der godheid in den mensch, eerbiedig het hoofd te buigen'3. Elders zegt hij dat het volk 'zijne regten' zou moeten hernemen, omdat de taal 'eene schepping en eigendom des volks' is, 'waarover geene doode letteren noch letterzifters te heerschen hebben'4.
De waardering van Halbertsma voor de volkstaal komt ook tot uiting in zijn Lexicon Frisicum (1872), dat als zijn magnum opus beschouwd mag worden, hoewel het helaas slechts tot en met het lemma feer in druk is verschenen. Ook in het Lexicon hanteerde Halbertsma het principe dat de taal moet worden gegeven zoals zij is en niet zoals zij zou moeten zijn. In dat licht bezien zal het geen verwondering wekken dat ook minder welvoeglijke woorden en uitdrukkingen, vooral op het gebied van de seksualiteit, in ruime mate aanwezig zijn in het Lexicon en in de twee handschriften waar het op gebaseerd is.
Halbertsma deelde de opvatting dat de volkstaal in al haar facetten een volwaardige plaats in het woordenboek verdient met de grote Duitse lexicograaf Jacob Grimm. Het is dan ook geen toeval dat Halbertsma, in een brief van 3 juli 18585, juist bij deze Jacob Grimm zijn nood klaagde over de plannen van Matthias de Vries om het Nederlands woordenboek te laten dienen om de taal te zuiveren en te verbeteren, onder meer door onwelvoeglijk en onbeschaafd taalgebruik uit het woordenboek te weren. Hij schrijft aan zijn 'Hoog Geachte Vriend' Grimm: 'Professor de Vries van Leiden, die aan het hoofd van de bewerking van het Hollandsche Lexicon staat, wil daar gene andere woorden toelaten dan die in de fatsoenlijke wereld geijkt zijn. Zo zullen wij dan de taal der salons krijgen, en louter onnatuur. Het zal zeker even mooi zijn als de crinoline; maar een spiegel van het volksleven zal het niet zijn'. Verder schrijft Halbertsma: 'Tot mijn groot genoegen zie ik dat Gij ook de obscoene woorden in Uw Lexicon opneemt; zij zijn gewoonlijk de oudste in de taal. En bovendien wat hier onfatsoenlijk is, hoort men aan het andere einde des lands uit den mond der precieuste dames. Verneuken, decipere, is hier uiterst gemeen; in Braband zegt de kuischste dame tot U, Gij verneukt mij!'
Dat er in het Nederlands zo veel woorden en uitdrukkingen op het vlak van de seksualiteit zijn, verklaart Halbertsma aldus: 'daar wij eene zeevarende natie zijn en de zeelieden op de grote reizen de langeweile verdrijven door eeuwige keuvelarijen over hunne meisjes en vrouwen zijn wij onuitputtelijk rijk in de phraseologie, die op de res venerea betrekking hebben'. Halbertsma geeft in zijn brief antwoord op een vraag van Grimm omtrent de uitdrukking kaltebauern: 'Voor kalt zeggen wij kaal [...]. Een kale boer slaan, actu referre rusticum tenuem et tenacem, qui ut mercedis meretriciae compendium faciat sese ipsum manustuprat. [...] Wij zeggen ook met een verbum kaleboeren voor een kale boer slaan. Het woord kalt Nl. koud kennen wij bij de mannen niet dan voor het crimen nefandum, dat hier de hoogste abominatie is die het volk zich denken kan. [...] Van de vrouwen gebruiken wij koud voor de manustupratie; b.v. zij houdt een eigen koude keuken . . . zij manustupreert zich. Zo ook wegens de coitus en bezwangering buiten het huwelijk: zij heeft zich gebrand aan de koude karnemelk . . . het meisje is zwanger'. 'Nu de heer Prof de Vries dit soort van woorden wil ignoreren', schrijft Halbertsma, 'heb ik twee zeer bekwame jonge menschen overgehaald, om een woordenboek van de Nederlandsche voces obscoenae te maken'6.
Halbertsma verwondert zich overigens over het feit dat Grimm zegt 'dat wij het woord kaltebauern niet in het Hollandsch hebben'. Grimm heeft Halbertsma blijkbaar niet geschreven dat hij al in een brief van 27 november 1852 bij Matthias de Vries geïnformeerd had naar de uitdrukking kalte bauer. Op 5 december 1852 had De Vries geantwoord: 'De uitdrukkingen kalte bauer en warme bauer zijn hier geheel onbekend; er is zelfs niets wat er in de verte op lijkt'7. Dat Halbertsma wel weet had van genoemde uitdrukkingen en De Vries niet, heeft zeer waarschijnlijk te maken met het feit dat Halbertsma een levendige belangstelling had voor de volkstaal, terwijl De Vries daar juist zeer weinig affiniteit mee had8.
In zijn brief aan De Vries van 27 november 1852 had Grimm zijn vragen betreffende enkele taboewoorden als volgt ingeleid: 'Dem lexicographen und grammatiker müssen alle wörter gleich wichtig und heilig sein, folglich auch, die an sich unschuldigen obscoenen'. In de Inleiding op deel I van het WNT (1882, p. XLV) geeft De Vries toe dat hij zich later door de gebroeders Grimm heeft laten overhalen tot een liberalere houding ten aanzien van het opnemen van sexualia in het woordenboek. De Vries is echter niet zonder slag of stoot overstag gegaan. Halbertsma zag zich immers nog in 1858 genoodzaakt om bij Grimm over de houding van De Vries te klagen. Dat was bijna zes jaar nadat Grimm zijn standpunt betreffende sexualia in het woordenboek aan De Vries had duidelijk gemaakt!
Noten
6 De identiteit van deze twee 'bekwame jonge menschen' heb ik niet kunnen achterhalen, en evenmin het resultaat van hun inspanningen. Eelco Verwijs (1830-1880) zou een van hen kunnen zijn geweest. Verwijs was als student van De Vries, in 1852 te Groningen en vanaf 1853 te Leiden, zeer waarschijnlijk bekend met het standpunt van De Vries ten opzichte van onwelvoeglijk taalgebruik. Het zou kunnen zijn dat het standpunt van De Vries ter sprake gekomen is in de contacten tussen Halbertsma en Verwijs, die in 1858 leraar aan het gymnasium te Franeker werd. Van 1862 tot 1868 was Verwijs archivaris/bibliothecaris van Friesland. Voordat Verwijs naar Franeker ging, heeft hij eerst in zijn ouderlijk huis te Deventer, de stad waar ook Halbertsma woonde, aan zijn dissertatie gewerkt. Misschien zijn ook daar al contacten geweest. Het speculatieve karakter van mijn 'bewijsvoering' blijkt duidelijk uit de overvloed aan modaliteiten in deze alinea en ik begeef me waarschijnlijk helemaal op glad ijs door de navolgende beschrijving van het karakter van Verwijs te gebruiken om mijn veronderstelling te staven: Verwijs had 'een open oog voor het komische, de scherts', hij was 'een groot vriend van gezelligheid en studentenavonturen', en 'met luim en geest ruim bedeeld' (P.G.J. van Sterkenburg, Het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Portret van een Taalmonument ('s-Gravenhage 1992), pp. 165-167).

Makke mei Plone