te-winkel-de-drank-en-het-fries
Te Winkel, de drank en het Fries
Door Lo van Driel
Ter gelegenheid van de voltooiing van het WNT heeft de redactie van Trefwoord een bloemlezing samengesteld uit eerder verschenen nummers onder de titel Woordenboeken & hun makers. Portretten van belangrijke negentiende-eeuwse lexicografen en taalkundigen sieren het omslag: M. de Vries, L.A. te Winkel, J.H. Halbertsma en J.H. van Dale onder meer. Vooral voor Te Winkel is dit aardig meegenomen: hoewel zijn naam in enkele stukken wel voorkomt, is geen enkele bijdrage volledig aan hem gewijd. De raadselachtige Te Winkel blijft, ondanks het portret op de buitenkant, in deze bundel een schim.
Te Winkel
In de maand van de voltooiing van het Woordenboek verscheen behalve bovengenoemde Trefwoord-uitgave een biografische duografie over De Vries & Te Winkel. Daarin wordt geprobeerd een profiel van Te Winkel op te stellen. Te Winkel was vrijgezel, van eenvoudige afkomst. Een particulier archief is niet teruggevonden; bovendien was hij een gemankeerde correspondent. Er zijn daarom weinig betrouwbare gegevens om een persoonlijk beeld van hem te kunnen schetsen en veelal moeten we afgaan op indirecte gegevens.
Een van de welwillende lezers van deze duografie kreeg onlangs zo'n indirect gegeven. Uit particulier bezit ontving hij enkele stukken, waaronder een fragment van een brief van Joost Halbertsma aan Eelco Verwijs. Aan de brief voegt Halbertsma een P.S. toe waarin de schim van Te Winkel opdoemt.
Heren van Leiden vertellen mij hier, dat te Winkel in de Temperance Society zou zijn tot namiddags 4 uur, waarna het genot van Bacchus en Bacchanalia hem, bij wijze van privilege, vrij zou staan. O Woordenboek.
Aan de brief, die te zijner tijd met de andere stukken naar het Ryksargyf Fryslân gaat, ontbreekt de dagtekening, maar de brief laat zich dateren op vermoedelijk september 1866. Het is een wonderlijke en raadselachtig postscriptum dat meer vragen oproept dan beantwoord kunnen worden.
In het naschrift wordt gesproken van de Temperance Society. Uit diverse naslagwerken kunnen we opmaken dat temperance al of niet in combinatie met society, inn, hotel, work, movement, reformation, association (zie Oxford English Dictionary s.v. temperance) duidt op het matigen van eten en drinken, in toenemende mate "practising or advocating total abstinence" van alcohol. De beweging tegen (overmatig) drankgebruik was in deze vorm ontstaan in Amerika waar in 1826 de American Society for the Promotion of Temperance werd opgericht. Hoe komen we nu in Leiden en bij Te Winkel?
Naspeuringen in het Leidse Gemeentearchief heeft ondanks de hulp van archiefambtenaren weinig of niets concreets opgeleverd. Hier moet de biografisch geïnteresseerde historiograaf van de linguïstiek de stap naar de geschiedenis van de drankbestrijding zetten. Het standaardwerk Drinken, drank en dronkenschap tilt een tipje van de negentiende-eeuwse Leidse bacchanalia op: Leiden was de eerste plaats in Nederland waar een dominee op het terrein van de drankbestrijding actief was. En in het midden van de eeuw was ter plaatse actief De Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van den Sterken Drank. Voor groot- en kleinverbruikers: de eerste fase van de drankbestrijding in Nederland was erop gericht de sterke drank te vervangen door een glas bier. Dat laatste maakte kennelijk minder kapot.
Die Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van den Sterken Drank kan in het naschrift van Halbertsma's brief aan Verwijs met de Leidse Temperance Society bedoeld zijn. De veronderstelling wordt acceptabeler als we in de literatuur over drank, drankorgels en bestrijders vaststellen dat juist sociaal en religieus bewogen Amerikanen uit die Matigheidsverenigingen naar Nederland (en de rest van Europa) waren gekomen om hun geestrijke gedachtegoed te verspreiden. In Leiden moet dat ook zijn gebeurd.
Nu weten we nog niet hoe we ten aanzien van Te Winkel dit postscriptumcitaat moeten opvatten. Het is mogelijk dat Te Winkel zich als vrijwillige drankbestrijder tot vier uur 's middags inzette voor het goede doel, daarna thuis of elders een neut ging nemen, wat tot doorzakken heeft kunnen leiden, tot schade van zijn wetenschappelijke werk. Het zou mede tot verklaring kunnen dienen van de trage gang van het Woordenboek, in ieder geval de slot-passage: "O Woordenboek" verklaren.
In de correspondentie van de "immer kritische WNT-watcher A.C. Oudemans" (Noordegraaf), die Te Winkel uit zijn Leidse tijd goed kende, is er geen spoor te vinden van enig drankgebruik bij de WNT-redacteur. Oudemans is buitengewoon kritisch over de persoon van Te Winkel: hij vond hem onbetrouwbaar, een angsthaas en een opportunist. Het conflict tussen hen dateerde uit de jaren vijftig toen Oudemans een Bredero-woordenboek samenstelde en dat via de Leidse Maatschappij, in casu de Commissie voor Taal- en Letterkunde, wilde publiceren. Te Winkel speelde daarin als secretaris van de commissie volgens Oudemans een dubieuze rol. Die publicatie kwam er uiteindelijk , maar het oordeel van Oudemans over Te Winkel bleef kritisch: "Hij vleit, hij kruipt, hij houdt zijne overtuiging, zijne meening in, voor allen die hem voordeelig kunnen zijn, voor anderen die hem geen voordeel kunnen aanbrengen is hij een ware Cerberus, en ik verlang dien man, dien ik weldaad op weldaad bewezen heb, nooit meer te zien". Zo schrijft hij aan zijn vriend De Jager in 1866. In dezelfde brief klaagt hij over het trage tempo van het WNT:
Met veel recht hebt gij [=A. de Jager] gesproken over den langzamen gang van het werk. De Redacteurs schijnen andere bezigheden te hebben dan het Woordenboek. Van De Vries is het natuurlijk bekend, maar Te Winkel! Is de 3e aflevering nu de vrucht van een zesmaandigen arbeid? (Oudemans 1998:97-98).
Iemand die zo over Te Winkel, zijn redacteurschap en het WNT oordeelt, zou de kans toch niet laten lopen de redacteur drankzucht te verwijten?
Ook andere interpretaties van het postscriptum bij de brief van Halbertsma aan Verwijs zijn daarentegen mogelijk. Deze bijvoorbeeld. Te Winkel was een zuiplap die bij de club van de Leidse dominee een ontwenningskuur volgde. (Misschien heeft Matthias de Vries hem daartoe wel aangezet: een hoofdredacteur van een Woordenboek, belast met de organisatie van het grootse werk, heeft immers zijn verantwoordelijkheid. Bovendien: alle belangrijke stappen in zijn leven heeft Te Winkel gezet op advies en met steun van De Vries). Deze overweging leidt tot de volgende interpretatie: als Te Winkel tot vier uur in de Temperance Society bleef, mocht hij als beloning aan de fles. Ook in die situatie is het Woordenboek er niet wel bij gevaren.
We weten helaas niet hoe hier de geest waait. Het is wel verleidelijk dit postscriptum in verband te brengen met een ander in de duografie vermeld feit. Aan het eind van zijn leven heeft hoofdredacteur De Vries, die in ieder geval zelf niet tegen drank kon, tegen zijn leerling Moltzer gezegd dat Te Winkel in de laatste jaren van zijn leven (hij stierf in 1868; we schrijven 1866) niet meer de helderheid van geest had die hem kenmerkte. Drank schijnt inderdaad niet goed te zijn. Maar wat is oorzaak, wat gevolg?
Zou de situatie die het postscriptum schetst soms door het Woordenboek zelf kunnen veroorzaakt zijn? Zoals Van Dale zich in het voorwoord bij zijn woordenboek afvroeg of "hij, die zijn vader en moeder vermoord heeft, nog te goed was om een Woordenboek te schrijven", zo kan Te Winkel in de drank zijn gevlucht. Zijn vader en moeder waren immers al dood.
Te Winkel en de drank is hoe dan ook een prikkelend onderwerp. Heeft niet kort geleden Jan Noordegraaf in een geestrijk artikel in Trefwoord nog met een zinsnede uit een brief van Verwijs aan Matthias de Vries (17 april 1866), duidelijk gemaakt hoe Te Winkel en het WNT leden onder drank en dronkenschap? Utrechtse jongelui die in Leiden te veel ingenomen hadden, hebben op straat de WNT-redacteur Te Winkel het manuscript van de derde aflevering ontstolen: 't Is beestachtig, en wat kan toch wel van zoo'n infamie de reden zijn? Aldus Verwijs aan De Vries. Ja wat kan de reden zijn? Was Te Winkel bij die gelegenheid mede onder invloed? Wilde hij als geoefend drankbestrijder de dronken jongelui het pad van de deugd wijzen? Of gaf Te Winkel door zijn angsthazig gedrag aanleiding voor zinloos geweld?
Oudemans zal niet geweten hebben dat de derde aflevering in de zes maanden door Te Winkel twee keer bewerkt moest worden, respectievelijk persklaar gemaakt moest worden. O Woordenboek.
Halbertsma
De correspondentie van Halbertsma is tot op heden helaas slechts fragmentarisch gepubliceerd. Mede daarom hebben we voorlopig geen idee over zijn bronnen: Wie waren de "Heeren van Leiden" die Halbertsma informeerden? We weten in ieder geval wel iets over de relatie Te Winkel-Halbertsma.
In de eerder genoemde duografie over De Vries & Te Winkel wordt gesproken over een brief van Te Winkel "aan een onbekende frisist, mogelijk Halbertsma".1 De brief lijkt onderdeel van een correspondentie over allerlei kwesties betreffende het Fries. Het is een qua toon en lengte voor Te Winkel ongewoon en persoonlijk schrijven: ze laat beslist geen humorloze, timide man zien. Getuige het register in die duografie wordt met "mogelijk Halbertsma" in de tekst Joost Hiddes Halbertsma bedoeld.
De brief, die onvoltooid is en hieronder als bijlage gepubliceerd wordt, maakt deel uit van de verzameling brieven van Te Winkel aan De Vries in het archief van het WNT op het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden. Waarschijnlijk heeft De Vries die brief gevonden bij spullen van Te Winkel toen hij op 24 april 1868 overleed. De brief is nooit verstuurd. Uit andere bronnen weten we dat Te Winkel als correspondent secuur noch diligent was. De eerder geciteerde Oudemans kon daarvan meepraten. Zo klaagt zijn vriend De Jager over brieven aan Te Winkel die onbeantwoord blijven. Oudemans antwoordt: "Wat Te Winkel betreft, gij zult nooit met hem klaar komen. Schrijf hem zoo veel gij wilt, hij zal u niet andwoorden" (Oudemans 1998:81).
De beoogde geadresseerde van Te Winkels onvoltooide en onverzonden brief over het Fries laat zich bij nader inzien echter wel met zekerheid identificeren. In de brief vinden we een Fries citaat: "... de twee coupletjes van het allerliefste gedichtje van wijlen uwen broeder: It swealsje forjit [het zwaluwtje vergeet] waar het participium forgetten in voorkomt".
In de Rimen en Teltsjes fen de Broerren Halbertsma, in het deel Twigen ut in Alde Stamme , vinden we genoemde ballade als It sweltsje forjit. Het bedoelde participium forgetten vinden we inderdaad in de zesde en laatste (achtste) strofe. Deze gedichten zijn geschreven door Dr. Eeltje Halberstma, de broer van Justus Hiddes Halbertsma. Eeltje (1797-1858) studeerde geneeskunde te Leiden en Heidelberg, werd, na een korte periode te Purmerend, arts te Grou. Door zijn verblijf in Heidelberg ontwaakte zijn dichtertalent.
De onvoltooide brief van Te Winkel blijkt een antwoord te zijn op "welwillende en vriendelijke letteren", "een allerprecieust stuk" over het Fries van zijn correspondent. Het kan niet anders of er wordt gedoeld op Justus Hiddes Halbertsma's bijdrage in De Taalgids (1867:1-52), een tijdschrift waar Te Winkel de belangrijkste redacteur van was. Het bewuste artikel gaat over de uitspraak van het Fries. En omdat die tekst de vorm heeft van een brief aan Te Winkel is deze kennelijk geschreven op verzoek van de redacteur. Uit het postscriptum bij dit artikel blijkt overigens dat deze Taalgids-bijdrage via de "wederzijdsche vriend prof. De Vries, die dezen leest en aan u ter hand stelt" bij redacteur Te Winkel is gekomen.
Als Halbertsma in 1866 en 1867 met De Vries correspondeert, is het natuurlijk wel verleidelijk De Vries als een van de Leidse heren te zien die Halbertsma informeert over Leidse Bacchanalia.
Zoveel vragen die ons doen gissen. Je zou wensen dat de correspondentie van M. de Vries, L.A. te Winkel, J.H. Halbertsma, E.Verwijs en A. de Jager en J.H. van Dale die het omslag van Woordenboeken & hun makers sieren, uitgegeven zou zijn.
Bibliografie
L. van Driel & J. Noordegraaf, De Vries en Te Winkel. Een duografie. Den Haag: Sdu Uitgevers & Antwerpen: Standaard Uitgeverij 1998.
Jan Noordegraaf, "L.A. te Winkel en de brooddronken jongelui". In: elektronisch tijschrift Trefwoord, januari 2000.
A.C. Oudemans, "Ik zit hier midden in de geleerdheid". Brieven van Antonie Oudemans aan Arie de Jager 1847-1874. Ingeleid en geannoteerd door Ewoud Sanders. Deventer 1998.
Nicoline van der Sijs (red.), Woordenboeken & hun makers. Den Haag: Sdu Uitgevers. [1998].
J.C. van der Stel. Drinken, drank en dronkenschap. Vijf eeuwen drankbestrijding em alcoholhulpverlening in Nederland: een historisch-sociologische studie. [diss. RUU]. Hilversum: Verloren 1995.
Rimen en Teltsjes fen de Broerren Halbertsma, mei printen fen Ids Wiersma, Libbensskets fen dr. G.A. Wumkes en op 'en nij neisjoen fen O.H. Systra'. Ljouwert: R. van der Velde, 1918.
Bijlage concept-brief van Te Winkel aan Halbertsma:
Zeergeleerde Heer, Hooggeschatte Vriend,
Duizendmaal dank voor Uwe zoo welwillende en vriendelijke letteren, en de groote moeite en den kostelijken tijd, er aan besteed. Het is een allerprecieust stuk, even aangenaam om te lezen als belangrijk van inhoud. Het is niet alleen een kostelijke bijdrage tot de kennis van het, helaas! zoo verwaarloosde Friesch, maar ook voor de taalstudie in 't algemeen. Mij is het dubbel aangenaam. Vooreerst om de reden, die mij gedreven heeft U met mijne vragen lastig te vallen, maar vooral om mijn eigen persoon, die er nog veel uit geleerd heeft. Het heeft mij de satisfactie gegeven, dat ik in de meeste gevallen goed heb waar genomen, en mij zekerheid gegeven omtrent de algemeene geldigheid van sommige verschijnsels, waaraan ik nog twijfelde. ook heb ik licht gekregen aangaande enkele Hollandsche woorden. Zoo wist ik b.v. geen weg met den visch, dien sommigen pos, anderen post noemen;2 het gemis van de t hield ik voor een uitwerksel van slordigheid en van de laffe Holl. uitspraak, die mus, plaas, schaas en dergelijke laat hooren. Nu heeft het woord voor mij hooge geschiedkundige waarde. Aan het parallellisme van de l en de r vòòr een volgende consonant had ik nooit gedacht, nu zie ik het duidelijk, en het bevestigt mij in het vermoeden, dat de Hollandsche vormen hout, woud enz. sporen zijn, dien het Friesch heeft achtergelaten; Saksisch en Frankisch zij die vormen zeker niet.Dat ik het Friesch nog altijd slecht uitspreek, zal ik U wel niet behoeven te verzekeren. Niettegenstaande alle oefening en inspanning verval ik in de fouten, waarin de meesten bij het spreken eener vreemde taal vervallen, al hebben zij ook tamelijk goed waargenomen: ik articuleer te sterk. Dat heb ik nu weder gemerkt bij de g, die ik altijd met de Fransche had geïdentificeerd. Evenzoo gaat het mij bij de r van be'n, he'ntjes enz. De Friesche schibbolets fennehe'nne, r'ead hea'd en dergelijke, interesseerden mij van den aanvang af.3 Daarbij ben ik begonnen met een r uit te spreken, doch zoo zacht mij mogelijk was, na eenige oefening gelukte mij meer en meer ze telkens zachter uit te brengen, tot dat ik eindelijk en tamelijk dicht bij kwam. De ware aard van het geluid bleef mij echter duister, tot dat mij in '58 een boekje van Prof. Brücke ter hand kwam dat mij licht gaf. Het heet Grundzüge der Physiologie der Sprachlaute. Ik weet niet, wat voor een landsman hij is, doch zou gelooven een Noord-Duitscher. Het onderscheid tussen mediae en tenues althans verklaart hij uitmuntend, doch ook hij verwart v en w, en das weiche g met jod. Het is nogtans een leerrijk boekje, waarin hij opgeeft, wat er bij het spreken in mond en keel plaats heeft, en na eenige herhaalde waarnemingen worden de spraakwerktuigen zoo gevoelig, dat men ten laatste het voornaamste, zelf duidelijk voelen kan. Brücke beschrijft drieérlei r, de linguale, die men de normale zou kunnen noemen, de velare, de brouwenden of brijenden, en de gutturale, de zachte r des Engelschen en Noord-Duitschers. Zij ontstaat door het trillen der stembanden in het strottenhoofd. Bedrieg ik mij niet, dan is die r, t.w. uiterst zacht voortgebracht, de Friesche klank, die tusschen de e en de n in bern, hern, enz. gehoord wordt. Ik hoor althans duidelijk, en voel zelfs, als ik den vinger op den adamsappel leg, een brommen en trillen van het strottenhoofd, wanneer in die en dergelijke woorden, wat sterk articuleer. Vóór eene n en d bewijst zulks al heel weinig, omdat die letters zelve reeds eene dergelijke trilling in de keel vereischen, maar vóór t en f, b.v. in stirt en koarf of korf is het een afdoende bewijs, want bij die letters zelve trillen de stembanden niet.
Brücke heeft een schrift uitgevonden, waarmede men tamelijk naauwkeurig alle eigenaardigheden in de uitspraak kan afbeelden. De proeven die men er onlangs in Engeland mede vertoond heeft, golden voor wonderdaden. Het was daar nog een winstgevend geheim, dat evenwel reeds in '63 door Brücke in zijne Neue Methode des phonetischen Transcription was bekend gemaakt. Voor enkele alleenstaande woorden kan het diensten bewijzen, maar als boekenschrift is het volstrekt onbruikbaar, daar niemand het wel vlot zal leeren lezen.
Doch ik ben u nog een verslag van mijn wedervaren in de vergadering van November, waarin de Heer v. L. zijne j verdedigde. Ik zou er tamelijk goed afgekomen zijn, had een geboren Fries, dit maal niet de Heer Roorda, die afwezig was, niet weder alles bedorven. De Heer v.L. kende de uitspraak jlans en jloot en Beetsterzwaai bij autopsie. In 1815 of 16 had hij met den Heer Van Hogendorp een voetreisje naar Groningen gedaan, dwars door Friesl. heen. De Heeren hadden zich aangesloten aan iemand die in Haarlemmerolie reisde, en die alle bijpaadjes kende. Dit was toen van veel belang; want overal op de groote wegen werden in dien tijd van de voetgangers hooge tolgelden geeischt, dikwijls 12 1/2 cent, zoodat het reizen per trekschuit bepaald economis was. Men wist in het eerst niet, of men over Kollum of over Beetsterzwaag zou, en bij die gelegenheid heette de laatste plaats duidelijk Beetsterzwaai. Dat alles was evenwel al meer dan 40 jaar geleden; nu was het gebleken, dat het Friesch sedert machtig was, bij alle levende talen plaats greep. Mijne opmerking, dat die oliekoop wel geen Friesch kon gesproken hebben, want dat de Heeren anders nog te recht zouden wezen, was niet aan alle leden der vergadering even aangenaam.
De Fries, een Leeuwarder, meende nu ook iets te moeten zeggen. Hij sprak veel, niet juist over, maar wel om de Friesche dialecten heen. De Friezen spraken de g juist zoo als de Hollanders de g uitbrengen, - men hoorde natuurlijke eene harde g, wat te flauw, dan dat alle aanwezigen het opmerkten. De g veranderde soms in j - Gij zult wel willen gelooven dat ik zulks nooit ontkend had, maar wel nooit kunnen gissen, wat het eenige voorbeeld was, dat als bewijs werd aangevoerd. Het was, in credibile auditu, gljuen waarin immers iedereen duidelijk een j hoort.
Ik meende de cavalcade van Bileam statig voorbij te zien trekken, toen er nog eene opmerking betreffende de d volgde. Ten einde althans uit de spelling een objectief bewijs voor het onderscheid tusschen g en j te ontleenen, had ik - zoo goed als eenen Arnhemmer mogelijk is - de twee coupletjes van het allerliefste gedichtje van wijlen uwen broeder: It swealsje forjit waar het participium forgetten in voorkomt, gelezen en geëxpliceerd, en mij daarbij veroorloofd eene sluitende d, omtrent op Engelsche wijze, zacht als een waaarachtige d, niet als eene Hollandsche t uit te brengen; die uitspraak deugde volstrekt niet: "wij Friezen noemen die uitspraak
[einde brief]
Noten
1. Van Driel & Noordegraaf 1998:213.
2. Kleine vis, familie van de baars: acerina cernua
3. Te Winkel schrijft hier een soort accentteken halfboven de e, die de onderdrukte r in deze posities in het Fries aanduidt. Vergelijk in Halbertsma's artikel (1867:19): "In de Wouden zeide men voormaals zelfs bjentsjes voor bentsjes, uit bernstjes, kindertjes".