Meer lexicoëzie
MEER LEXICOEZIE*
DOOR EWOUD
SANDERS
Natuurlijk zijn er méér gedichten te vinden waarin woordenboeken of lexicografen een rol spelen dan die paar die in Trefwoord 4 werden afgedrukt in het artikel 'Lexicoëzie'. Naar aanleiding van dit artikel kreeg ik een hele verzameling gedichten van Egbert Beijk uit woordenboeken uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Ook van lezers van Onze taal - waarin een verkorte versie van het artikel werd geplaatst - kreeg ik verschillende gedichten toegestuurd. Bovendien bleken meerdere lezers zich zelf aan dit genre te hebben gewaagd en ook dat leverde meerdere (al dan niet gepubliceerde) gedichten op, waaronder een acrostichon op DR H ('Hij hoeft zich voor zijn lichtval niet te schamen') HEESTERMANS. Tot slot stuitte ik zelf al lezend nog op enkele voorbeelden van lexicoëzie.
Te zijner tijd hoop ik al deze gedichten nog eens samen te
brengen. Hier alvast een kleine selectie. De gedichten zijn
chronologisch geordend.
Wij schreven 'Zaaien'
Door J.J.A. Goeverneur
Door J.J.A. Goeverneur
|
Wij schreven 'zaaien'; maar De Vries en Te Winkel
Verkiezen 'zaaijen'. - Jonckbloet, ook geen kinkel, Schrijft 'zaayen'. Wat een driedrachtzaaierij, Die tot God weet wat al verwarring heenleidt, Maar zeker niet tot taalverfraaierij. Ik, Jan de Rijmer, ben een vriend van eenheid En zal, om met elk te vriend te blijven, Voortaan eenvoudig 'zaaijiyen' schrijven. |
Geciteerd in: Michel van der Plas, Ongerijmde rijmen
(Het Spectrum z.j.) p. 59
~~~
[57] Fragment uit: Hoe maakt een kwartpoëet zijn
vaerzen
Door J.J.L. ten Kate
Door J.J.L. ten Kate
|
Het rimpelig voorhoofd tot purper gekleurd,
De hairen te berge, de nagels verscheurd, In d'armstoel zich wiegend, Zijn Geysbeek doorvliegend, En rijmend en lijmend Van smarten en harten, Geflonker en donker, Gewemel en hemel, Bepereld en wereld, Een boezem en bloezem, (…) Zoo bakt en zo plakt, dat de Muzen zich schamen, De kwart-poëtaster zijn lorren te samen! |
Geciteerd in: Nederlandse nonsens op rijm (Het Spectrum
z.j.) p. 93. e.v. Vanzelfsprekend wordt in dit gedicht verwezen
naar het Nederduitsch Rijmwoordenboek van P.G. Witsen
Geysbeek (1774-1833). De eerste druk van dit lexicon verscheen in
1829, de tweede in 1849 en de derde in 1865. Ook J.J.A. Goeverneur
spotte met Geysbeek: '…'t Rijmboek sleurt mij mee! Geen God, geen
Muze is noodig/ (…) Geen fantasie, geen roes van duren Rijnschen
wijn/ Behoeven we in dees tijd, om puikpoëet te zijn.' Geciteerd
in: Jaap Bakker, Apollo in stofjas. Over elf Nederlandse
rijmwoordenboeken en rijmende bastaardwoorden (Van Dale
Lexicografie 1986).
~~~
Fragment uit: Proteïne
Door Gerrit Achterberg
Door Gerrit Achterberg
|
Achttien aminozuren waren
het eiwit, waarmee gij begon, lees ik in deze lexicon. Het doet me door de ruiten staren. |
In: Doornroosje (1947)
~~~
Fragment uit: Robot
Door Gerrit Achterberg
Door Gerrit Achterberg
|
Een vrijend paartje achterna.
Afluisteren tussen de struiken de woordenschat die zij gebruiken. Ik sla het wel in Koenen na. |
In: Hoonte 1949.
~~~
Fragment uit: Hoe moet ik schrijven
Door Leo Vroman
Door Leo Vroman
|
Aan de andere kant,
rijm is ook niet alles: van het lang, hard werken om die te bereiken mag niemand iets merken, of zelfs maar vermoeden dat de zinnen, die lijken geschreven in woede, droom, liefde, verdriet, eigenlijk met zoeken in rijmwoordenboeken en met staren in het niet, met plotseling vloeken en verbaasd ontdekken dat door één, eerst gekke en plotseling net goede rijm het gedicht is omgezwicht, niemand mag vermoeden, kortom, hoeveel raars er onder het zoeken tevoorschijn springt. Voor 'zoeken' b.v. 'handdoeken' en voor 'raars', 'baars', 'kaars', 'laars'. 'Ik heb handdoeken vol baars, en zoek met een kaars in mijn laars naar hun onderbroeken'. |
Geciteerd in: Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de
19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten , Amsterdam 1984
(7e druk) p. 764 e.v.
~~~
Fragment uit: Ode aan de typografie van Pablo Neruda,
vertaald door Cees Nooteboom.
|
Lief,
ik hou van de letters van je huid de W van je blik, de dubbele S van je leest. In de blaadjes van de jonge lente [58] weerschijnt het diamanten alfabet, de smaragden schrijven je naam met initialen nog nat van de dauw. Mijn lief, je haar zo overvloedig als een woud of een woordenboek bedekt me helemaal met rode taal. |
In: Ode aan de typografie , Amsterdam 1989, p.
26-29.
~~~
Ouderwets verdriet om een grote Van Dale
Door Karel Jonckheere
Door Karel Jonckheere
|
Ik zeg het met een rimpel in mijn lach:
mijn exemplaar werd kleiner met de dag, zijn kaft met rug en al is sedert lang ontbonden, de helft van A met die van Z verzwonden. Ik draag zijn rouw, ik ben een onverlaat, pleit tienmaal schuldig voor de slechte staat waartoe mijn slordigheid hem heeft verwezen. 'k Heb veel geschreven maar toch meer gelezen, betuig elk boek al wordt het niet mijn vriend de achting die elk mensenwerk verdient. Meer dan één band heb ik gestreeld, beroken, zijn druk naar 't licht gekeerd, zijn lof gesproken tot eigen vreugde en in 't openbaar, kortom ik ben een wufte boekminnaar. Waarom Van Dale dan zo ruw bejegend?
Het is niet voor het rijm maar kijk het regent, de januarischemer maakt mij droef alsof men straks mijn moeder weer begroef. Ze zei mij alles wat ze wist en kende hoe dwaas en leeg ik mij ook tot haar wendde. 't Is waar, soms sprak ze met een licht verdriet: - Pas op voor Holland, jongen, zeg dit niet. Maar dat is nu voorbij, laat ik niet marren, mijn moeder met geen woordenboek verwarren al zoenen zij in Moedertaal elkaar sinds eeuwen als een onverbreekbaar paar. Mijn droefheid moet ik kwijt eer ik ga eten een stomp aftands papier is toch geen keten met wat ik waarlijk uit mezelve schreef en meer dan eens achter de woorden bleef. Vaarwel dan, dikke vriend, verlaat mijn handen,
gij klopt in mij, ik zal u nooit verbranden. Zoek ik straks in de nieuwe die ik kocht, ik zal het doen met trouwe achterdocht. |
In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie
voor Nederlandse taal- en letterkunde , 1976 nr. 1.
~~~
Fragment uit: Altijd weer
Door Cees Buddingh'
Door Cees Buddingh'
|
…je kan de grote van dale niet openslaan
met je ogen dicht een woord eruit pikken of het draait erop uit als een bezoek aan de tandarts als je kies flink pijn is gaan doen (soms) of als een reis om de wereld in tachtig dagen alle bedieningen inbegrepen (soms) en dat is juist het mooie
of niet soms?
|
In: Gedichten 1938-1970 , De Bezige Bij 1971.
~~~
Kalligrafie
Door Catharina de Haas
Door Catharina de Haas
|
kalligrafie = schoonschrift
volgens de grote van Dale wanneer ik de liefde dientengevolge kalligrafeer heb ik: schone liefde heilige liefde platonische liefde laat me nog maar even met potlood schrijven
|
Gepubliceerd in: In de holte van je steen (Amsterdam
1974)
~~~
Dictionaire
Door Riec Kolman
Door Riec Kolman
|
Er zit een man
met een violoncel in de Larousse; [59] Hij raakt voorzichtig met zijn strijkstok aan de snaren Vier snaren op de kam
en aan de hals van de violoncel in de Larousse, zijn vingerzetting waardoor ik als in een visioen Vivaldi's virtuoze vioolconcert in E zie spelen en de klanken hoor van het orkest: La Prima Vera |
Ongepubliceerd, 1993
-
La rousse
Door Charles Destrée
Door Charles Destrée
| De samenstellers van 'n woordenboek kunnen het, soms, er nààr maken. Heet Larousse daarom zomaar om 't schaamblosje op haar kaken? |
Ongepubliceerd, 1993.