Woordenboek tussen filatelie en tuinarchitectuur
Het woordenboek tussen
filatelie en tuinarchitectuur
door Dirk Geeraerts
Welke metafoor zou het meest
adequaat zijn voor een beschrijving van het lexicografische werk
zoals dat door de WNT-redacteuren werd beoefend? Wat voor
wetenschap is de lexicografie, metaforisch beschouwd? De Britse
fysicus Ernest Rutherford hield er alvast een eenvoudige indeling
van de wetenschappen op na: ‘All science is either physics or stamp
collecting.* De ene activiteit komt
principes op het spoor, mathematische, of althans exacte
wetmatigheden die de verwarrende veelvuldigheid van de
oppervlakteverschijnselen herleiden tot de helderheid en platoonse
schittering van een beperkt aantal grondbeginselen. De andere
aanpak reduceert noch deduceert, maar verzamelt, ordent en
beschrijft, in een continuüm dat loopt van het kabinet met curiosa
over het uitputtend gecatalogeerde museum tot de Leonisch
taxonomie.
De
lexicograaf zit dan, zo lijkt het, ondubbelzinnig in de
filatelistische hoek: hij produceert classificatorische bomen,
zoals de onomasiologisch-thematische lexicografie pleegt te doen.
Of hij produceert collecties van rariteiten en opmerkelijkheden,
van het type ‘de erotische woordenschat van de achttiende-eeuwse
meekrapteler*. Of hij bouwt een
taalmuseum, zoals in de galmende pronkzalen, de meanderende
galerijen, de rijkelijke salons van het wnt (waarvan de
architectuur overigens — in tegen- stelling met een vaak gebruikte
vergelijking — minder die van een kathedraal benadert dan die van
een capriccio van Piranesi).
Het beeld
van de filatelie voldoet echter nog niet helemaal, al was het maar
omdat de lexicografie met een dergelijke positiebepaling meteen de
verdenking van onschuldig hobbyisme en dilettantische irrelevantie
op zich laadt. We hebben een metafoor nodig die ook iets laat zien
van de intellectuele uitdaging die van de woordenboekarbeid
uitgaat. En die uitdaging is niet de jacht op de unieke vondst (de
lexicale ongekartelde Mauritius), noch zelfs een gedreven streven
naar volledigheid (het ultieme criterium van de
postzegelverzamelaar), maar veeleer de weerbarstigheid van haar
empirische basismateriaal. In de verrassende veelheid van het
geobserveerde taalgebruik een patroon herkennen, dat patroon
zorgvuldig zo kiezen dat de eigenheid van het materiaal
gerespecteerd wordt, en tenslotte dat patroon pas als werkelijk
herkend erkennen wanneer het ook een descriptief deugdelijke
definitie heeft ontvangen — dat zijn de eisen die zij aan haar
beoefenaren stelt. Zo vergt zij een combinatie van precisie — oog
voor het detail - en spankracht — aandacht voor het geheel. Maar
deze doorgedreven vorm van patroonherkenning is tegelijkertijd ook
patroonconstructie: het samenstellen van een woordenboekartikel (en
a fortiori van een [73] woordenboek als geheel) vraagt om
compositorische creativiteit, een architecturale afweging van wat
de meest gepaste structuur voor het beschikbare materiaal
is.
Een
geëigend model voor een metaforische karakterisering van de
lexicografie als intellectuele activiteit is daarom uiteindelijk
niet de filatelie, maar de tuinarchitectuur. De natuurlijke
woekering van de betekenissen moet binnen perken gebracht worden,
en daarvoor is een respectvolle maar vakkundige menselijke ingreep
nodig. Bekijk een wnt-artikel daarom als een tuin: er zijn
parterres in aangelegd waarin nagenoeg identieke planten harmonieus
samengaan, maar die ook, door een kunstige schikking van bedden
binnen de perken, een plaats bieden voor de zeldzame, individueel
schitterende bloem. En er zijn berceaus, met definities
overkoepelde paden die, afgeboord met cijfers en letters als
parkbeelden en tuinvazen, de perken in een groter geordend verband
onderbrengen. Daarmee komt zowel de moeilijkheid van het
lexicografische werk als de creatieve kant ervan in beeld: aan de
ene kant is de tuin een menselijk bouwsel, aan de andere laat de
natuur zich niet zomaar in eender welk patroon stoppen (al kan men
toegeven dat de vrijheidsgraad van de tuinarchitect een paar treden
hoger ligt dan die van de lexicograaf).
De
metafoor is daarenboven geschikt, omdat hij een typologie van
lexicografen suggereert, een typologie die bovendien toelaat enkele
interessante stukken uit onze Rutherfordiaanse aanloop te redden.
Er zijn er immers — lexicografen zowel als tuiniers — die vooral
plantenliefhebbers zijn: zij zoeken het zeldzame, opvallende,
ongebruikelijke, bijzondere gewas. Er zijn er ook die het
woordenboek, zoals in die andere Leidse Hortus, voornamelijk zien
als een activiteit van botanische identificatie en classificatie.
Er zijn er zelfs (maar dan alleen in de minder respectabele takken
van de commerciële lexicografie) die de tuin louter beschouwen als
productiemiddel van groente en fruit. Er zijn er ook die, als een
lexicografische Capability Brown, de menselijke ingreep bij de
aanleg van de tuin proberen te verdoezelen in een uitgekiende
suggestie van ongehinderde natuurlijkheid. En er zijn er tenslotte
die, geïnspireerd door de formele tuinen van de Renaissance en de
Barok, juist de andere weg opgaan en de aangebrachte structuur
prominent aanwezig stellen; zij creëren symmetrieën en dominante
perspectieven, trekken met buxushaagjes gemarkeerde scherpe lijnen
rond de betekenisgroepen, laten zich leiden door hun voorliefde
voor onvermoede semantische doorkijkjes.
Zelf
behoorde ik vermoedelijk tot dat laatste genre van
WNT-lexicografen, en wie ooit de tuin van het Casa Mateus in
Vila Real of de Villa Gamberaia in Settignano heeft mogen bezoeken,
weet wat zo*n voorkeur kan motiveren.
Maar vooral ook ben ik, denk ik, een tuinierend lexicograaf, omdat
ik doordrongen ben van het precaire karakter van het woordenboek:
nauwelijks is een optimaal product tot stand gebracht waarin alle
hagen geknipt, alle grasvelden gemaaid, alle bomen in vorm gesnoeid
zijn, of de woekerende natuur herneemt haar [74] rechten. En net zo
vraagt de beschrijving van de woordenschat een onophoudelijke
onderhoudsinspanning waar Sysiphus bij zou verbleken. De
postzegelverzamelaar leeft in de gelukkige illusie van
exhaustiviteit en een restloze ordening; de tuinier poogt slechts
een broos evenwicht tot stand te brengen en in stand te houden. ‘Il
faut cultiver notre jardin* — daar was ook voor Voltaire al geen greintje triomfalisme
mee gemoeid.
Dit artikel is eerder
gepubliceerd in Trefwoord 13, Jaarboek lexicografie
1998-1999.
De paginanummering van het
origineel staat tussen [ ].