Persoanlik ark
Jo binne hjir: Thússide Uitgaven Trefwoord Jaargang 2003 Woordenboek tussen filatelie en tuinarchitectuur
Dokumint aksjes

Woordenboek tussen filatelie en tuinarchitectuur

Het woordenboek tussen filatelie en tuinarchitectuur

door Dirk Geeraerts
 
Welke metafoor zou het meest adequaat zijn voor een beschrijving van het lexicografische werk zoals dat door de WNT-redacteuren werd beoefend? Wat voor wetenschap is de lexicografie, metaforisch beschouwd? De Britse fysicus Ernest Rutherford hield er alvast een eenvoudige indeling van de wetenschappen op na: ‘All science is either physics or stamp collecting.* De ene activiteit komt principes op het spoor, mathematische, of althans exacte wetmatigheden die de verwarrende veelvuldigheid van de oppervlakteverschijnselen herleiden tot de helderheid en platoonse schittering van een beperkt aantal grondbeginselen. De andere aanpak reduceert noch deduceert, maar verzamelt, ordent en beschrijft, in een continuüm dat loopt van het kabinet met curiosa over het uitputtend gecatalogeerde museum tot de Leonisch taxonomie.
     De lexicograaf zit dan, zo lijkt het, ondubbelzinnig in de filatelistische hoek: hij produceert classificatorische bomen, zoals de onomasiologisch-thematische lexicografie pleegt te doen. Of hij produceert collecties van rariteiten en opmerkelijkheden, van het type ‘de erotische woordenschat van de achttiende-eeuwse meekrapteler*. Of hij bouwt een taalmuseum, zoals in de galmende pronkzalen, de meanderende galerijen, de rijkelijke salons van het wnt (waarvan de architectuur overigens — in tegen- stelling met een vaak gebruikte vergelijking — minder die van een kathedraal benadert dan die van een capriccio van Piranesi).
     Het beeld van de filatelie voldoet echter nog niet helemaal, al was het maar omdat de lexicografie met een dergelijke positiebepaling meteen de verdenking van onschuldig hobbyisme en dilettantische irrelevantie op zich laadt. We hebben een metafoor nodig die ook iets laat zien van de intellectuele uitdaging die van de woordenboekarbeid uitgaat. En die uitdaging is niet de jacht op de unieke vondst (de lexicale ongekartelde Mauritius), noch zelfs een gedreven streven naar volledigheid (het ultieme criterium van de postzegelverzamelaar), maar veeleer de weerbarstigheid van haar empirische basismateriaal. In de verrassende veelheid van het geobserveerde taalgebruik een patroon herkennen, dat patroon zorgvuldig zo kiezen dat de eigenheid van het materiaal gerespecteerd wordt, en tenslotte dat patroon pas als werkelijk herkend erkennen wanneer het ook een descriptief deugdelijke definitie heeft ontvangen — dat zijn de eisen die zij aan haar beoefenaren stelt. Zo vergt zij een combinatie van precisie — oog voor het detail - en spankracht — aandacht voor het geheel. Maar deze doorgedreven vorm van patroonherkenning is tegelijkertijd ook patroonconstructie: het samenstellen van een woordenboekartikel (en a fortiori van een [73] woordenboek als geheel) vraagt om compositorische creativiteit, een architecturale afweging van wat de meest gepaste structuur voor het beschikbare materiaal is.
     Een geëigend model voor een metaforische karakterisering van de lexicografie als intellectuele activiteit is daarom uiteindelijk niet de filatelie, maar de tuinarchitectuur. De natuurlijke woekering van de betekenissen moet binnen perken gebracht worden, en daarvoor is een respectvolle maar vakkundige menselijke ingreep nodig. Bekijk een wnt-artikel daarom als een tuin: er zijn parterres in aangelegd waarin nagenoeg identieke planten harmonieus samengaan, maar die ook, door een kunstige schikking van bedden binnen de perken, een plaats bieden voor de zeldzame, individueel schitterende bloem. En er zijn berceaus, met definities overkoepelde paden die, afgeboord met cijfers en letters als parkbeelden en tuinvazen, de perken in een groter geordend verband onderbrengen. Daarmee komt zowel de moeilijkheid van het lexicografische werk als de creatieve kant ervan in beeld: aan de ene kant is de tuin een menselijk bouwsel, aan de andere laat de natuur zich niet zomaar in eender welk patroon stoppen (al kan men toegeven dat de vrijheidsgraad van de tuinarchitect een paar treden hoger ligt dan die van de lexicograaf).
     De metafoor is daarenboven geschikt, omdat hij een typologie van lexicografen suggereert, een typologie die bovendien toelaat enkele interessante stukken uit onze Rutherfordiaanse aanloop te redden. Er zijn er immers — lexicografen zowel als tuiniers — die vooral plantenliefhebbers zijn: zij zoeken het zeldzame, opvallende, ongebruikelijke, bijzondere gewas. Er zijn er ook die het woordenboek, zoals in die andere Leidse Hortus, voornamelijk zien als een activiteit van botanische identificatie en classificatie. Er zijn er zelfs (maar dan alleen in de minder respectabele takken van de commerciële lexicografie) die de tuin louter beschouwen als productiemiddel van groente en fruit. Er zijn er ook die, als een lexicografische Capability Brown, de menselijke ingreep bij de aanleg van de tuin proberen te verdoezelen in een uitgekiende suggestie van ongehinderde natuurlijkheid. En er zijn er tenslotte die, geïnspireerd door de formele tuinen van de Renaissance en de Barok, juist de andere weg opgaan en de aangebrachte structuur prominent aanwezig stellen; zij creëren symmetrieën en dominante perspectieven, trekken met buxushaagjes gemarkeerde scherpe lijnen rond de betekenisgroepen, laten zich leiden door hun voorliefde voor onvermoede semantische doorkijkjes.
     Zelf behoorde ik vermoedelijk tot dat laatste genre van WNT-lexicografen, en wie ooit de tuin van het Casa Mateus in Vila Real of de Villa Gamberaia in Settignano heeft mogen bezoeken, weet wat zo*n voorkeur kan motiveren. Maar vooral ook ben ik, denk ik, een tuinierend lexicograaf, omdat ik doordrongen ben van het precaire karakter van het woordenboek: nauwelijks is een optimaal product tot stand gebracht waarin alle hagen geknipt, alle grasvelden gemaaid, alle bomen in vorm gesnoeid zijn, of de woekerende natuur herneemt haar [74] rechten. En net zo vraagt de beschrijving van de woordenschat een onophoudelijke onderhoudsinspanning waar Sysiphus bij zou verbleken. De postzegelverzamelaar leeft in de gelukkige illusie van exhaustiviteit en een restloze ordening; de tuinier poogt slechts een broos evenwicht tot stand te brengen en in stand te houden. ‘Il faut cultiver notre jardin* — daar was ook voor Voltaire al geen greintje triomfalisme mee gemoeid.
 
Dit artikel is eerder gepubliceerd in Trefwoord 13, Jaarboek lexicografie 1998-1999.
De paginanummering van het origineel staat tussen [ ].

Makke mei Plone