Intranet
WFT
KNAW
Frysk
Frysk
WFT
Nederlands

Allengs rijst toch 't gebouw

door Dick Wortel

Dit jaar wordt de honderdste sterfdag van de oprichter en initiator van het Woordenboek gevierd. Op 9 augustus 1892 stierf op 71-jarige leeftijd Matthias de Vries, die ruim veertig jaar van zijn leven gaf aan zijn Woordenboek.

Vooral die periode uit de geschiedenis van het wnt wil ik in dit artikel belichten. Ik wil mij daarbij beperken tot twee aspecten: het wnt als instelling en zijn ambivalente relatie met de politiek: nationaal, want het woordenboek was heel wat keren een onderwerp in de Tweede kamer, en internationaal, want de relatie met het Nederlands-sprekend deel van België speelt in de geschiedenis een grote rol.

Literair-historici mogen zich wat mij betreft buigen over vragen als: welke rol speelde indertijd de ontwikkeling van de Duitse filologie, zoals die onder meer werd uitgedragen door de gebroeders Grimm, de samenstellers van hetDeutsches Wörterbuch. Ongetwijfeld heeft de Duitse filologie, door Brill in Nederland geïntroduceerd, een zekere invloed gehad op de concipiatie van het Woordenboek door De Vries. Dat te onderzoeken lijkt mij voor de belangstellende hedendaagse taal-historicus een ware uitdaging.

Ook wil ik de voorgeschiedenis van het Woordenboek laten rusten. Die voorgeschiedenis loopt van 1766, toen de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde in Leiden werd opgericht, tot aan het eerste Taal- en Letterkundig Congres in Gent in 1849. Over deze periode is echter al veel gepubliceerd. Ook De Vries gaat hier in zijn Inleiding bij het wnt uitgebreid op in.

De kwestie van het woordenboek op de taal- en letterkundige congressen

Nederland had twee muzeüms te bouwen. Een voor de plastische scheppingen der individuus, een voor de linguïstische des geheelen volks (...). Wij krijgen onze muzea. Het een wordt gebouwd aan de Stadhouderskade te Amsterdam, het andere in No 70 op het Rapenburg te Leiden.

J.A. Alberdingk Thijm 1882, 4.

De geschiedenis van het Woordenboek wil ik laten beginnen in de diligence van Van Gend en Loos op de lijn Rotterdam-Antwerpen, om precies te zijn in Wuustwezel, pal op de grens tussen Nederland en België. Op 23 augustus 1849 zat de heer J.A. Alberdingk Thijm zich te ergeren aan de tabaksrook van een heer tegenover hem. Gelukkig kon hij de lucht in de diligence even verwisselen voor de frisse buitenlucht bij de douane. Daar werd hij aangesproken door een medereiziger, die door de tabaksrook onopgemerkt was gebleven. Hij vertelde dat hij op weg was naar het [176] congres in Gent en stelde zich voor als Gerth van Wijk. Hij was van plan om op het congres een verhandeling te houden over `de verscheidenheid of afwijking in het gebruik der taal in Zuid- en Noord-Nederland'. Bovendien wilde hij aangeven welke middelen er konden worden aangewend `tot het daarstellen dier onderlinge eenvormigheid in alle deelen, welke de gemeenschappelijke oorsprong, ter meerdere volmaking der beide taaltakken, vereischt'.

Als een van die middelen noemde hij tegenover Thijm het vervaardigen en uitgeven, op last en in naam van het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres, van een `geheel nieuwe spraakleer, van eene verkorte dito en van een volledig Nederduits taalkundig Woordenboek'.

Thijm zei op weg naar de bedompte diligence tegen zijn medereiziger dat hij het wel eens was met zijn streven. Het idee van een woordenboek was voor hem dan ook niet nieuw. Al in een brief van 18 augustus 1847 had hij zijn plan om een woordenboek te maken ontvouwd aan F.A. Snellaert: `Gij, Vlamingen, die jong en krachtig zijt en (in den regel) in minder beslommerende betrekkingen zijt', zo schreef Thijm, 'zoudt er aanzienlijk toe kunnen bijdragen. Ei lieve, denk daar eens ernstig over, en bespreek het herhaaldelijk met uwe vrienden. Wij zouden een schoon geschenk doen aan onze gemeenschappelijke Letterkunde.

Het bleef toen bij plannen, maar Thijm mag de geestelijke vader van het Woordenboek worden genoemd.

Nadat Gerth van Wijk tijdens het congres in de Gentse Academiezaal op 28 augustus 1849 zijn 'wijdloopige verhandeling' onder de titel 'Over den stand en de eischen onzer gemeenschappelijke moedertaal' had beëindigd, nam Snellaert het woord. Hij wilde dat er enkele personen zouden worden uitgenodigd om 'hunne gedachten over het samenstellen van een algemeen nederlandsch taelkundig woordenboek en het plan, dat hiertoe zou moeten gevolgd worden, in geschrift te stellen'.

Thijm protesteerde vervolgens tegen de vereffenings- en gelijkmakingstheorie, die Gerth van Wijk in zijn voordracht had bepleit. Hij wenste, dat het woordenboek een zo volledig mogelijk overzicht zou geven van de taalvormen uit Nederland en Vlaams-België. Hij stelde voor een commissie te benoemen om een plan uit te werken voor zo'n 'schatkamer', zo'n 'muzeüm onzer taalvormen'.

Dat voorstel werd aanvaard, met die wijziging, dat de heren A. des Amorie van der Hoeven, J.H. Halbertsma, A. de Jager en J.A. Alberdingk Thijm uit Nederland, en J. David, F.A. Snellaert, P. van Duyse, J. Craco, J.H. Bormans en P. Ecrevisse uit België, werden uitgenodigd om op een volgend congres hun denkbeelden omtrent de eisen van het nieuwe woordenboek mee te delen.

Het volgend Taal- en Letterkundig Congres vond in september 1850 plaats in de concertzaal van Felix Meritis te Amsterdam. De Leuvense kanunnik David presideerde de vergadering. Vercammen vertelt dat de bovenge-[176]noemde commissie met haar verslag niet op tijd gereed gekomen was. De zaak dreigde te stokken, maar voorzitter David redde de situatie door min of meer ex tempore een grondig betoog te voorschijn te toveren.

In 1882 denkt Thijm nog aan deze gebeurtenis terug.

Er lagen met betrekking tot het woordenboek twee voorstellen ter tafel. Onder andere van Jonckbloet, die wilde dat de vergadering verklaarde 'dat zij, hooge sympathie gevoelende voor het denkbeeld van een Woordenboek, het gewaagd en buiten hare bevoegdheid rekent om een persoon of commissie te belasten met de uitvoering van deze taak, en dit meent te moeten overlaten aan wie zich tot de uitvoering bevoegd rekent, terwijl zij den wensch met aandrang uit, dat dit groote werk weldra tot stand kome'.

Thijm vond dat de zaak van het 'taalmuzeüm' hiermee in de doofpot terecht zou komen. Hij kwam op voor het voorstel, dat het woordenboek van het Congres zou uitgaan.

Polak diende het voorstel in dat 'eene Commissie (...) zich zal onledig houden met het beoordeelen van de gronden voor of tegen de samenstelling van het alg. ned. Woordenboek'. Deze commissie zou de uitvoering moeten overlaten aan 'zoodanige geleerden als zich daartoe opgewekt en bevoegd zouden achten, altijd echter onder de hoofdredactie van de Commissie'.

Thijm amendeerde het voorstel. Hij wilde dat het Congres een comité zou benoemen in Noord- en in Zuid-Nederland om maatregelen te treffen ter samenstelling van een Nederlands woordenboek. Tot leden van deze comités werden aangewezen: in het Noorden prof. M. de Vries, dr. A. de Jager en mr. H.J. Koenen, en in het Zuiden prof. J. David, dr. F.A. Snellaert en mr. Pr. van Duyse.

Over deze voorstellen, die in eerste instantie mondeling werden gedaan, moest worden gestemd. Thijm beschrijft uitvoerig hoe deze stemming verliep. 'Ik zie nog den goedigen, edoch kolossalen Leuvenschen Professor alle moeite doen, om tot een stemming te geraken: "D'eeren, die voor het voorstel van den eer Jonckbloet zain, begeven ziech lienks, de genen, die daor tegen ziech verklaoren regts van de zaol!'' Daar hadt gij een heen- en weergeloop van de andere waereld. Wat was links, en wat was rechts? La droite du spectateur of dat van den voorzitter? En dan - de beide partijen wilden de meerderheid schijnen; zij volgden dus het voorbeeld van den kikvorsch, in zijn bewondering van den os: een en ander tot groot vermaak der dames, die, van boven, dit schouwspel aanzagen. Prof. Jonckbloet betuigde zelfs, "dat het [hem] nu nog niet zeer duidelijk was, hoe de quaestie, waarover de vergadering [zou] te beslissen hebben, [was] gesteld''.'

'De voorzitter, ten einde raad', vervolgt Thijm zijn beschrijving, 'vroeg toen aan de vergadering, "of zij zich nog langer met de quaestie van het woordenboek zou bezighouden.'' Hierop, verzet van vele kanten. Jonckbloet konstateerde misverstand. Daarop werden de drie voorstellen schriftelijk ten bureele gedeponeerd. Toen kondigde Prof. David de stemming over het voorstel Jonckbloet opnieuw aan: "D'eeren, die voor het [178] voorstel zain, b'ooren regt te staon!'' Het kwam in deze zitting nog niet tot een oplossing der quaest ie.'

In de derde zitting, de volgende dag, werd het voorstel Polak/Thijm alsnog aangenomen. Hoewel de voor- en tegenstanders nauwkeurig door deskundige leden waren geteld, verzocht Jonckbloet met de zijnen aan te tekenen 'dat door hen in de wijze van stemming geen genoegen is genomen.

Maar voor Thijm maakte dat allemaal niets uit. Hij had zijn zin gekregen. Zijn succes is zelfs zo volledig dat zijn dochter Catherine later kan getuigen: 'Op dit kongres ontving, dank vooral aan A. Th's scherp geformuleerde voorstellen, de zaak van het algemeen Woordenboek der Nederlandsche Taal den doorslag.

Deze gang van zaken vormde later voor de tegenstanders van het Woordenboek een krachtig argument. In 1860, toen de subsidie voor het Woordenboek door de volksvertegenwoordiging werd ingetrokken, schreef een verklaard tegenstander van het Woordenboek in De Nederlandsche Spectator : 'Zijn wij wel onderricht, dan werd in 1851 [sic] het plan van het woordenboek bekrachtigd met eene meerderheid van congresleden zoo twijfelachtig, dat de voorzitter zijn behoud zocht in het weigeren der contre-epreuve: het werd bestreden door mannen als De Jager, Jonckbloet en den reeds overleden van Gilse.

Ontwerp van het woordenboek

De Vries komt in de vergadering van het daaropvolgende Taal- en Letterkundig Congres, dat in 1851 in Brussel werd gehouden, met Het Ontwerp van een Nederlandsch Woordenboek. Dat is het eindrapport van de leden van de hierboven genoemde commissie. In dit Ontwerp geeft De Vries in detail weer hoe het Nederlandsch Woordenboek eruit moet gaan zien wat betreft de inhoud, de inrichting en de wijze van vervaardiging. Concreet stelt hij aan het Congres voor dat 'op last en in naam van het Nederlandsch Letterkundig Congres, een Woordenboek [zal] worden vervaardigd en uitgegeven, overeenkomstig het plan, door de daartoe benoemde Commissie ontworpen'. Hij voegt hier aan toe 'dat aan dit besluit een begin van uitvoering worde gegeven, door de benoeming eener Commissie van redactie, uit drie leden bestaande, die verzocht zullen worden, zoodra mogelijk met de voorbereidende werkzaamheden een aanvang te maken.

Op het volgende Taal- en Letterkundig Congres, het vierde, in 1852 gehouden te Utrecht, doet De Vries verslag van de voortgang. De redactie, bestaande uit hemzelf, L.A. te Winkel en de Vlaming J. David, was begin 1852 voltallig.

David trok zich echter al spoedig terug. In een brief van 17 oktober 1851 schreef hij aan De Vries dat hij wel lid van de redactie wilde worden, maar dat hij door drukke werkzaamheden e.d. weinig aan het Woordenboek kon doen. Wel bleef hij een belangrijke propagandist voor het Woordenboek in België.

[179] Desondanks ging het met de Vlaamse inbreng niet goed. In het Ontwerp had De Vries gesteld, dat er in het Woordenboek plaats moest zijn voor het 'Zuid-Nederlandsche taaleigen'. Dat bleek erg moeilijk te zijn, maar dat lag vooral aan de Vlamingen zelf. David schreef op 19 Februari 1856 aan De Vries: 'Het grieft mij het te moeten belijden: onze Belgische medewerkers zullen ons weinig hoop geven. Velen van hen willen misschien, maar kunnen niet, of niet wel. En anderen hebben te weinig tijd om zich met het maken van excerpten te belasten.'

In 1856, op het Congres te Antwerpen, had De Vries reeds uitdrukkelijk om medewerking van de Vlamingen gevraagd. 'Het Woordenboek zou zeer zeker beter aan het ideaal van menigen Zuidnederlander beantwoorden, indien die Zuidnederlander zelf wat meer de handen uit de mouwen gestoken had - en nog stak, in de Zuidnederlanden in plaats van aldoor te klagen over 't geen in de afgewerkte delen ontbreekt, bouwstoffen bijeen bracht, hetzij uit de literatuur, hetzij uit de dialecten, die in de toekomst door de Redactie kunnen gebruikt worden.

Ook in Nederland waren kritische geluiden te horen. R.C. Bakhuizen van den Brink schreef in 1854 in de Konst- en Letterbode een soort open brief aan De Vries waaruit blijkt hoe weinig vertrouwen hij had in het succes van de onderneming: 'De medearbeiders zijn te talrijk zoo als bij den Babelschen torenbouw, en onbeduidende middelmatigheden (...) nemen met veel gedruisch het vak in, dat door erkende talenten had moeten gevuld worden. En verderop schrijft hij, wel buitengewoon negatief: 'Wij hopen dat het congres zijn dood sterven zal en u van de verbindtenissen ontslaan die wij u niet toegewenscht hadden. Wij hopen dat de toevoer naar de bij u opgeslagen woordenschat langzamerhand zal blijven steken.

De Vries laat zich echter door dit soort uitlatingen niet van de wijs brengen.

In de daaropvolgende jaren komt de redactie veelvuldig bij elkaar. In een van die bijeenkomsten wordt Leiden gekozen tot zetel van de redactie. 'De Academiestad', luidt de toelichting, 'met hare rijke bibliotheek en veelsoortige verzamelingen, waar de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde met haren kostbaren boekenschat is gevestigd (...). De welwillende belangstelling der Maatschappij, altijd volijverig om den bloei onzer taal en letteren krachtig te bevorderen, kwam ons bereidvaardig tegemoet, en bood ons, met het onbelemmerde gebruik harer verzamelingen, tevens de heusche verzekering aan, dat hare ondersteuning en medewerking nimmer te vergeefs door ons zouden worden ingeroepen.

De redactie kon zich aanvankelijk zelfs vestigen in een leeskamer van de Maatschappij, waar ook de boeken, papieren en andere voorwerpen een plaats kregen. In een later stadium werd de leeszaal van de Maatschappij te klein en verhuisde de redactie naar de woning van De Vries aan het Rapenburg (no 70).

In het Verslag der redactie van het Nederlandsch Woordenboek, dat De Vries op 11 [180] september 1860 in de vergadering van het zesde Taal- en Letterkundig Congres, in 's-Hertogenbosch, presenteerde, deelde hij aan zijn gehoor mee dat de redactie het tijd vond worden om met het verzamelen van het materiaal op te houden 'om tot het gewigtigste, de eigenlijke bewerking of zamenstelling over te gaan.

In 1862 kon De Vries aan het zevende Taal- en Letterkundig Congres, gehouden in Brugge, meedelen, dat 'o.a. de gansche lange rij der woorden met aan beginnende, zoo goed als gereed [ligt], met alles wat voorafgaat en veel van hetgeen volgt.

De tijdsduur

Al heel snel nadat de redactie met het werken aan het Woordenboek was begonnen, realiseerde zij zich hoeveel arbeid er verricht moest worden. De Vries ging uit van een honderdtal afleveringen, een aantal, dat hij op het achtste Congres in 1865 nog eens herhaalde. Moltzer probeerde een aannemelijke verklaring te geven voor de trage gang bij het woordenboek. Hij gaf daarom een beeld van het werk van een redacteur: 'Denkt u', zo schreef hij, 'den lexicograaf bezig met het opstellen van een artikel over welk woord gij maar wilt. Een bundel papieren ligt voor hem, alle tot dat woord betrekkelijk. Hier eene reeks van aanhalingen uit dichters en prozaschrijvers, waarin zich de beteekenis in al hare schakeeringen afspiegelt; daar eigenaardige bijzonderheden uit den mond des volks opgevangen, of eene aanwijzing van dialectische verschillen; ginds de vermelding van het technische gebruik in dezen of genen tak van nering of wetenschap; elders grammatische of etymologische opmerkingen, aan taalkundige boeken ontleend. Met oordeel onderzoekt hij dat alles, hij kiest het goede en bruikbare, hij laat het onjuiste of overtollige weg. Met smaak ontwerpt hij uit al het gekozene een welgeordend en sluitend geheel, terwijl zijne taalkennis over alles een helder licht verspreidt.

Op zijn beurt vergeleek De Vries het werk van de lexicograaf 'met den anatoom, die de werktuigen en verrichtingen des lichaams niet kan beschrijven, dan door het zielloos lijk te ontleden, en datgene te scheiden wat alleen in onderlingen zamenhang en levend verband geweest is wat het geweest is.

Al in 1866 wekte de langzame gang van het Woordenboek bij sommigen de spotlust op. J. ter Gouw vertelt hier smakelijk over. 'Toen Mr. Jacob van Lennep in den zomer van 1866 te Middachtersteeg de genoegens van 't buitenleven smaakte, - en de Heeren De Vries en Te Winkel met hun Woordenboek aan 't woord "Aap'' gevorderd waren, en zij hem raadpleegden, over den oorsprong der beteekenis van spaarpot, aan dat woord gegeven, - beving hen de lust eens door den regel van drieën uit te rekenen, hoeveel jaren er noodig zouden zijn om van "Aap'' tot "Zwoord'' te komen, en de uitkomst dier berekening was: 1045 jaren precies, - zoodat het boek voor het einde van Ao 2911 klaar zal kunnen zijn.

[181] De Vries wist dit. Aan zijn Vlaamse vriend F.A. Snellaert schreef hij op 21 november 1866: 'Een aantal Belgische inteekenaars hebben hunne inschrijving opgezegd, omdat het zoo langzaam gaat. Hoe onbillijk en hoe laf! Het kanimmers niet anders, als 't werkelijk goed zal zijn. Of dat tijd en moeite kost! Wij werken als postpaarden, en dan scheldt men ons nog voor luiaards uit'. En aan de minister van Binnenlandse Zaken schreef hij op 29 november 1866: 'Het is hier niet te doen om eene geprikkelde nieuwsgierigheid haastig te bevredigen, maar om een werk tot stand te brengen van blijvenden aard en naar de behoeften der natie zorgvuldig berekend: eene waardige hulde aan de taal onzer vaderen, die ook de taal van ons nageslacht zal zijn.

In 1878 waren 28 afleveringen verschenen, met in totaal 4478 kolommen. Taco H. de Beer vond dat al heel wat. Hij vergeleek de voortgang met die van het Deense woordenboek. Dat is 'al meer dan dertig jaar in bewerking, deDictionnaire Historique is al meer dan twintig jaar aan de letter A bezig', zo schreef hij.

Carel Vosmaer ('Flanor') verwees naar het in 1838 door de broeders Grimm ontworpen Deutsches Wörterbuch. 'In 1846 deelde Wilhelm het ontwerp mede aan de Germanistenversammlung te Frankfurt (...) In 1854 ving de uitgaaf aan en nu in 1879, alzoo na 25 jaren arbeid, is slechts 1/3 voltooid', aldus Vosmaer.

Van Vloten was helemaal niet tevreden. 'De a voor wat meer dan de helft voltooid, de g en de o even begonnen; nog geen enkele letter dus in 30 jaar gereed', zo klaagde hij. In allerlei artikelen en brochures haalde Van Vloten met bittere spot uit naar de in zijn ogen 'gansche nu eenmaal verongelukte ondernemen en reageert hij op de Inleiding van De Vries en de 'walgelijke schaar zijner karakterlooze nabauwers en toejoelers in Noord en Zuid'.

In deze inleiding schreef De Vries: 'Nu het werk eens aan den gang is, herinnert men zich nauwelijks meer, hoeveel moeite het gekost heeft zoover te komen. Van Vloten tekende daarbij aan: 'Niet minder dan 30 jaar, een menschenleeftijd van a tot ajuin! En dat noemt hij gang! Waarlijk voor iemand, die zoo lang in den nederlandschen taalschat kon grasduinen, kiest hij zijn woorden al heel slecht; doch 't is waar, men spreekt ook van een slakkengang, en die was hem zeker voor de geest.

Toen in 1882 het eerste deel, van A tot ajuin, verscheen, kon Van Vloten niet nalaten in zijn Woordenboeksgrieven een spotdicht te publiceren:

O luid weerklink de lofbazuin!
Het Woordenboek kwam tot ajuin
In dertig jaren al;
(...).
Stel voor elke verdre letter maar
Tweederde van die dertig jaar,
Dan staat al na een eeuw of vier
t Geheel gedrukt reeds op 't papier!

[182] De vertraging was echter niet uitsluitend te wijten aan de wijze van bewerken van het voorhanden materiaal. Er waren ook nog al wat tegenslagen. Op 24 maart 1866 overleed David, die toch al weinig had kunnen doen wegens ziekte. Twee jaar later, op 24 april 1868, overleed Te Winkel. Vervanging was moeilijk te vinden. Enkele kandidaten, onder wie Van Dale, grondlegger van het bekende woordenboek, weigerden.

In 1871 begonnen Cosijn en Verwijs hun medewerking. Die moesten worden opgeleid en dat kostte tijd. In 1878 moest het werk aan de G worden gestaakt, omdat Cosijn werd benoemd tot hoogleraar in de Germaanse taalwetenschap in Leiden. Verwijs moest de redactie om gezondheidsredenen verlaten. Hij deed in 1878 zelfs vrijwillig afstand van zijn jaargeld, dat hij na de dood van Te Winkel van de regering ontving.

De Vries was toen de enige die aan het Woordenboek werkte en hij ging verder met de letter A. In 1883 verscheen A. Kluyver, die door De Vries aan de G werd gezet. Maar ook Kluyver moest opgeleid worden, wat De Vries noopte deA gedurende die tijd te laten liggen. Bovendien kon Kluyver zich nog niet volledig aan het redactiewerk wijden. In 1884 werkte hij immers aan zijn dissertatie; hij promoveerde nog in hetzelfde jaar. Vanaf 1885 verschenen de afleveringen van de letter G, geredigeerd door Kluyver onder leiding van De Vries. Kluyver ging in 1887 zelfstandig met die letter door.

Ook was er bij De Vries sprake van een zekere vermoeidheid. Hij wilde wel eens wat anders. In 1884 hield hij twee redevoeringen, iets wat hij graag deed maar wat hem veel tijd kostte. Het gevolg was dat er te weinig afleveringen verschenen. In de Tweede Kamer, bij de beraadslagingen over de Staatsbegroting van 1884, uitte met name De Corver Hooft fikse kritiek op de trage voortgang van het Woordenboek: 'Er is één deel van uitgekomen en twee andere deelen gedeeltelijk. Het zou voltooid zijn in 8 deelen. Maar wat is er nu? Er is de halve letter A tot aan Alleen, de halve letter G tot Gekheid en de halve letter O tot Onderrichten. Ziedaar hetgeen van het Woordenboek in 20 jaar is uitgekomen. Is dat nu eene onderneming, die van staatswege moet ondersteund worden? Wanneer die op dezelfde wijze voortgaat als tot nu toe, kan men rekenen, dat men zoowat 60 à 70 jaren bezig zal zijn met dat werk.

Geldkwesties

Al op het congres van 1850 in Felix Meritis in Amsterdam werd door Thijm voorgesteld dat de leden van het congres een adres zouden richten 'aan de Goevernementen van Nederland en Belgien en bij elk een subsidie van ƒ 500,- 's jaars aanvragen tot ondersteuning der onderneming.

Pas op het vierde Taal- en Letterkundig Congres in 1854 te Utrecht brengt De Vries de financiën ter sprake. Bij de voorbereiding deed zich de noodzaak gevoelen dat de redactie, wilde zij 'hare taak met kracht doorzetten, de middelen moest bezitten om de onvermijdelijke [183] onkosten te dekken. Zij diende daarom een aanvraag tot ondersteuning in bij de regeringen van Nederland en België.

Op deze aanvraag werd gunstig gereageerd, omdat, volgens De Vries, de regeringen van mening waren 'dat de bloei van Neerlands taal, zoowel in België als in Noord- Nederland, door de beide verlichte Vorsten en hunne raadslieden op den regten prijs wordt geschat'. Door de Nederlandse regering werd een bedrag van ƒ 500,- beschikbaar gesteld, door België 1000 franks, toen nog altijd ƒ 467,18 waard.

Door deze bijdragen was de financiële situatie gezond. Dat bleef zo tot 1861. Toen maakte de redactie een aanvang met de daadwerkelijke bewerking. Zij kwam tot de slotsom dat `vrijwillige toewijding (...) niet langer [kon] volstaan bij den reusachtigen arbeid, die nu te verrichten stond'.

Het werd nu noodzakelijk dat ten minste een van de redacteuren in staat werd gesteld om de bewerking van het Woordenboek als levenstaak op te vatten. De regering verleende haar medewerking, 'overtuigd, dat een nationaal woordenboek eene zaak is van nationaal belang' en besloot de nodige middelen beschikbaar te stellen. Te Winkel werd door de minister uitgenodigd om zich volledig te wijden aan de 'vaderlandsche lexicographie'. Hij moest, om zijn werk full time te kunnen doen, zijn lectoraat aan het Leids Gymnasium en zijn werk als bibliothecaris bij de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde neerleggen. Zijn salaris zou volledig door de overheid worden betaald. Daarvoor zou op de staatsbegroting voor 1861 ƒ 2000,- worden vrijgemaakt, waarvan ƒ 1600,- voor Te Winkel.

Een paar dagen voor de discussie in het parlement over 'Artikel 157 van de VIIIste Afdeeling' verscheen er echter in De Nederlandsche Spectator een artikel dat aan alle leden der Tweede Kamer was opgezonden. In dit artikel werd de zaak van het Woordenboek, aldus Thijm, 'het zij uit onkunde en vooroordeel het zij uit nijd en kwade trouw, op de domste en bedrieglijkste wijze uit haar verband (...) gerukt'. 

Thijm had wel reden om verontwaardigd te zijn. In het artikel, dat naar alle waarschijnlijkheid door R.C. Bakhuizen van den Brink was geschreven, werd immers de vraag gesteld: 'Is het woordenboek eene zaak zoo noodzakelijk, zoo onmisbaar, dat daaraan jaarlijks en zonder eenig uitzigt op den duur der uitgave eene som van meer dan ƒ 5000 mag worden geofferd?

Een woordvoerder in de Kamer merkte in het politiek debat op 'dat een jaarlijksche subsidie zoo veel zou zijn als een premie, gesteld op de oneindige voortzetting van het werk'.

'De taal- en letterkunde beschouwen de zaken niet altijd in hetzelfde licht, waarin de staatkunde op haar standpunt ze beoordeelt', concludeerde De Vries bitter. Die bitterheid zal wel zijn ontstaan door de lage kwaliteit van de argumenten die door verschillende sprekers werden aangevoerd. Het kamerlid Cools wilde een termijn bepalen waarbinnen het Woordenboek tot stand moest worden gebracht, want hij meende: 'Telken jare zullen er wel nieuwe woorden worden uitgevonden en men zou naar die mate de uitgave kunnen uitstellen'.

[184] Een ander kamerlid, Hoëvell, was tegen de subsidie omdat het Woordenboek nog niet gepubliceerd was. 'Het boek is nog niet gereed en nu wil men een jaarlijksch tractement geven om de voltooijing te bevorderen. Zal dat niet strekken om het gewenschte doel, het uitgeven van het werk te vertragen?'

Dat bleek, toen de Kamer het voorgenomen besluit van de regering moest bekrachtigen. Men achtte het verkeerd 'dat de staat zich op eene onmiddellijke wijze mengt in datgene, wat alleen gedijen kan door individueele kracht, zich in volkomen vrijheid bewegende'. Men meende, dat daardoor 'de eigen werkzaamheid van particulieren eer wordt verslapt, dan opgewekt en verhoogd en overtuigd'; dat alleen 'door de ontwikkeling van eigen krachten leven en beweging ontstaat'. Men begreep dat de onderneming van het Woordenboek 'aan hare eigene ontwikkeling behoorde te worden overgelaten'.

Thorbecke was ook tegen de subsidie: 'In vroeger tijd kon een maecenaatschap over kunsten en wetenschappen aan de overheid passen, en zelfs met vrucht door haar worden uitgeoefend', zo stelde hij. Nu moest zij datgene wat zij 'voorheen als hare zorg beschouwde', laten aankomen op het publiek, 'den grooten Maecenas, waarvan nu de wetenschap leven moet'.

Het voorstel om de gevraagde subsidie ten behoeve van het Woordenboek niet te verlenen, werd met 39 tegen 27 stemmen goedgekeurd.

Goede raad was duur, merkte De Vries op, maar er waren bondgenoten. De minister van Binnenlandse Zaken, Van Heemstra, zegde hem toe dat hij bij de volgende begroting een nieuw voorstel aan de volksvertegenwoordiging zou doen. Er dreigde een problematische financiële situatie te ontstaan, die tot gevolg zou kunnen hebben dat het werk aan het Woordenboek zou moeten worden gestaakt. De Belgische regering verleende naast de gewone subsidie nog 'een hulpgeld' als 'nieuw blijk van hare gezindheid jegens de taal harer Vlaamsche landgenooten'. Wat nog ontbrak werd uiteindelijk aangevuld door de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen uit Haarlem, die ƒ 600,- schonk.

De regering ontving van diverse kanten brieven die op toekenning van subsidie van de overheid aandrongen. Daaronder was een brief van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, waarin zij te kennen geeft dat 'dat zij zich verpligt rekent, thans, nu andermaal op de Staatsbegrooting, zoo als die van Regeringswege is aangeboden, een post is uitgetrokken, ten einde de onkosten te dekken, die de voorbereiding van een Algemeen Woordenboek der Nederlandsche Taal vereischt, zich tot de Vertegenwoordigers van het Nederlandsche Volk te wenden met het verzoek, dat die post hunne goedkeuring wegdrage' .50

Bij de staatsbegroting van 1862 werd de toelage voor het Woordenboek wederom aan de orde gesteld. In de zitting van 16 december 1861 werd weliswaar opnieuw het bezwaar naar voren gebracht 'dat ondersteuning van wetenschappelijken arbeid' niet tot de verantwoordelijkheid van de staat behoort, maar er waren andere sprekers, die de toepassing van dit bezwaar op het Woordenboek met kracht bestreden.

[185] Met 39 tegen 30 stemmen werd de subsidie nu toegekend.

Het jaar 1878 was in het jonge bestaan van het Woordenboek een absoluut dieptepunt. De Vries deelde toen aan minister Kappeyne van de Coppello mee, dat het Woordenboek zich in een uiterst moeilijke situatie bevond. In een brandbrief verzocht hij de minister om een geringe toelage om tenminste nog de materiële kosten te dekken. Het antwoord van de minister luidde dat de gevraagde subsidie van ƒ 400,- werd toegestaan, maar dat hij 'geen vrijheid vond op de Staatsbegroting van het volgend dienstjaar wederom gelden te brengen voor ondersteuning van regeringswege aan eene wetenschappelijke onderneming, waarvoor reeds gedurende meer dan 25 jaren Rijkssubsidiën zijn verleend, zonder dat er gegronde hoop bestaat, dat dit werk binnen kort tijdsverloop tot een goed einde zal gebragt zijn'.

De Vries raakte door dit bericht zeer ontmoedigd: 'Ik moet bekennen, dat was mij te veel. Van de Regeering, meer dan iemand omtrent mijne bedoelingen ingelicht en in de eerste plaats geroepen om een vaderlandsch werk te steunen, dat overal elders van staatswege bekostigd wordt, in zulke omstandigheden zulk een antwoord te ontvangen: dat had ik niet kunnen verwachten. De moed ontzonk mij.

Maar overal ontstond verontwaardiging over de beslissing van de minister. C. Vosmaer verwees naar het feit dat reeds in 1860 het Deutsches Wörterbuch staatszaak was geworden. Hij stelde: 'Zeer juist verklaarde (...) de duitsche rijksdag, dat het duitsche woordenboek, door de Grimm's gesticht, eene Reichsangelegenheit is. Bij ons daarentegen is het woordenboek met kinderachtigen spot van onkundigen of boozen vervolgd en ten vorigen jare heeft de regeering de toelage voor dat woordenboek geschrapt'. Spottend gaat hij door: 'Wat, zei de minister, hebben wij nu voor f 26.000,- ontvangen? Eenige afleveringen, en nog geen enkele letter voltooid.'

Een 'kruideniersargument', aldus Vosmaer, want voor het overheidsgeld `is door het woordenboek de spellingkwestie geregeld. Indertijd kostte die regeling alleen (door Siegenbeek) ƒ 20.000,-'.

Ook wees Vosmaer op 'de afleveringen, waarin een schat van monografieën voorkomen, vol gewichtige taalvorschingen, honderden vellen druks beslaande, op zich zelf reeds een gewichtig werk', waarbij 'er voorhanden [is] het geheele bestaande materiaal, dat voor bewerking gereed ligt'.

Interessant is, dat hij ook wijst op het feit dat de taalstudie door de publicatie van het Woordenboek verlevendigd is. 'Van dien tijd af dagteekenen een tal van nieuwe taalstudien'.

Taco H. de Beer deed in 1878 het voorstel dat als de regering geen subsidie wil betalen 'wanneer zij niet zeker is, dat er een voldoend getal afleveringen het licht ziet, welnu, zij doe als in Pruisen met het Duitsche Woordenboek, waar 900 Mark subsidie betaald wordt, zo vaak er eene aflevering verschijnt'.

H.E. Moltzer wees al in 1878 op de rol van het Woordenboek als natio- [186] nale onderneming: 'Allen, die op beschaving ontwikkeling en wetenschap prijs stellen en hunne moedertaal lief hebben, eene echt nationale onderneming als de uitgave van het Woordenboek zullen steunen beide moreel en financieel, want - zij verdient het ten volle, zij strekt ons dierbaar vaderland tot eer'.

In augustus 1879 was het Woordenboek een belangrijk onderwerp op het zeventiende Taal- en Letterkundig Congres in Mechelen. In de derde zitting stelde de heer Van Lee aan uitgever Sijthoff de vraag: 'Zou die Heer niet zoo goed willen zijn ons omtrent het Woordenboek in te lichten? Hij zal ons wel kunnen vertellen, of dat kind werkelijk definitief geboren is of nog geboren moet worden'. Sijthoff antwoordde hierop: 'Op de vraag wat er is van het Woordenboek, dat voedsterkind van het Congres, antwoord ik, dat het XVIIIe Congres waarschijnlijk den doodsbrief ervan ontvangen zal'.

Sijthoff gaf daarbij aan dat hij tussen 1 januari en 27 augustus 1879 geen kopij van de redactie had ontvangen. Hij stelde voor de zaak van het Woordenboek bij de Nederlandse en Belgische regering te bepleiten. Na enige overweging besloot het Congres een motie dienaangaande aan de Algemene Vergadering voor te leggen. Dat gebeurde bij monde van de heer D. van Eck uit Den Haag. Het voorstel vond vrijwel algemene instemming. Alleen Van Vloten maakte bezwaren. Hij wilde dat een of andere taalgeleerde de bewerking van het gehele woordenboek op zich zou nemen: 'Dan zouden wij in eenen betrekkelijken korten tijd tot een goeden uitslag komen'. Op dat voorstel ging het Congres echter niet in. Op 20 oktober 1879 ging er een request van het Congres naar de Nederlandsche en Belgische Regering. Het jaar daarop werd de subsidie weer uitgekeerd.

Het belang voor de taalwetenschap

Over het belang van het Woordenboek voor de taalwetenschap was geen discussie. 'Indien ooit eenig werk is ondernomen ten einde, zooals het heet, "in eene lang en levendig gevoelde behoefte te voorzien'', dan is het 't Woordenboek der Nederlandsche taal geweest', schreef H.E. Moltzer in 1878. In hetzelfde artikel stelde hij de vraag: 'Beantwoordt het Woordenboek (...) aan de met grond grote verwachting, die men ervan koesterde?' Zonder aarzelen sprak hij als zijn 'innige overtuiging' uit 'dat het bedoelde Woordenboek, standaard en vertegenwoordiger onzer taalwetenschap, de stoutste verwachting gewis heeft moeten overtreffen. Een vijftienjarig gebruik is wel geschikt om de deugden en gebreken van een lexicon aan het licht te brengen en over 't practisch nut er van eene uitspraak uit te lokken'. In zijn geestdrift gaat Moltzer verder met: 'Enkele artikels zijn als 't ware taalkundige, lexicalische "essays'' even boeiend van stijl als zaakryk van inhoud. De redactie verstond en verstaat nog 't geheim der kunst van een woordenboek te schrijven, dat is gewis; en een woordenboek van uitnemend praktisch nut, waarin de letterkundige, de taalman, de geschiedvorser, de oud- [187] heidkundige, de rechtsgeleerde, de redenaar, de dichter, elk vindt wat van zijne gading is'.

Toch gold dat niet voor de Vlamingen. Toen het eerste deel in 1882 verscheen, uitten zij kritiek op het feit dat er zo weinig Vlaamse woorden in te vinden waren. 'Dr. De Vries', zo heette het in Rond den Heerd, 'zegt in zijn Inleiding dat het Woordenboek der Nederlandsche Taal een "Nederlandsch Taalmuseum'' is, dat zijn schoone woorden, maar 't en zijn maar woorden. De waarheid is dat het Woordenboek niet een "Nederlandsch'' maar een "Hollandsch'' Taalmuseum is. Immers al wat Hollandsch heet staat daar vermeld; ook de onbeduidendste woorden uit de gemeene spreektaal, - ja tot de verbasterde vormen toe die de woorden in de platte volkstaal hebben. Onze Vlaamsche woorden integendeel zal men daar vruchteloos zoeken, of vindt men er nog een, het is ievers versteken in een donker hoeksken'.

De Commissie voor nieuwere Taal- en Letterkunde van de Koninklijke Vlaamsche Academie in Gent vestigde op 21 mei 1890 de aandacht van de regering op dit probleem. Hierop werd door de regering een commissie belast met een onderzoek naar de nog verschijnende afleveringen van het Woordenboek. De leden van die commissie, Th. Coopman, Amorie de Vos en J. Obrie, rapporteerden regelmatig aan de regering, maar merkwaardig genoeg werden hun bevindingen niet aan de redactie meegedeeld. Na 1899 veranderde dat, vooral door toedoen van W. de Vreese, die sinds 1897 lid van deze commissie was. Tussen 1893 en 1895 maakte De Vreese trouwens zelf deel uit van de redactie van het Woordenboek. Tot de Eerste Wereldoorlog verbeterde de Vlaamse literaire en financiële inbreng aanmerkelijk.

Instelling van de commissie van bijstand

De taal is de ziel der natie, zij is de natie zelve
H.P.G. Quack, `De Macht der Taal' [1887]

De subsidiekwestie van 1878 was goed afgelopen dankzij de massale steun van de buitenwacht. Liefst elf verzoekschriften om handhaving van de subsidie droegen bij tot het gewenste resultaat.

De problemen rond de subsidie, die ieder jaar weer opnieuw moest worden aangevraagd, bleven echter. In een brief van 28 juni 1880 schreef een wanhopige De Vries aan de minister van Binnenlandse Zaken: 'De verklaring in Uwer Exc. schrijven, dat Uwe Ecx. bezwaar moet maken tegen het uitkeeren van een subsidie van ƒ 2000,-, ontneemt mij de hoop dat ik de zaak van het Woordenboek zou kunnen hervatten'. Op 24 augustus deelde hij aan de minister mee: 'Op dit oogenblik is de kas nagenoeg uitgeput. Zij bevat nog maar f 48,-. Zonder spoedige hulp zou derhalve de arbeid binnenkort geheel gestaakt moeten worden'.

Ook toen werd de subsidie alsnog uitgekeerd en betaalde België 4000 franken.

[188] Voor De Vries werd de taak om het Woordenboek financieel te dragen te zwaar. Maar spoedig zou juist op dit punt het tij keren.

In het jaar 1886 was H.P.G. Quack gast op een feest, dat werd gegeven in Santpoort ter gelegenheid van de dichter Hofdijk, die zeventig jaar werd. Daar ontmoette hij Paul Fredericq, die hij nog kende van vroegere taalcongressen. Fredericq woonde in Gent, waar hij professor aan de universiteit was. Natafelend kwamen zij te spreken over die vroegere congressen en over de belangen, die Noord- en Zuid-Nederland konden verenigen. De taalcongressen waren al enkele jaren niet meer gehouden, en dat baarde hun zorgen. Zij vonden het allebei belangrijk, dat de 'Nederlandsche stam, als compacte eenheid' binnen de nieuwe Europese staatkundige constellatie zich kon gaan profileren. De traditie van de taalcongressen moest daarom weer nieuw leven worden ingeblazen.

'Paul Fredericq en ik werden het spoedig samen hierover eens', herinnert Quack zich. Samen namen ze het initiatief om een congres te organiseren. Dat congres, het 20ste, kwam er. Het werd op 16 september 1887 gehouden in de zalen van het toen nog niet ontbonden Felix Meritis in Amsterdam.

Daar maakte de openingsrede over 'De Macht der Taal' van Mr. H.P.G. Quack, 'fonkelend van geest en poezie', bij de aanwezigen veel indruk. Juist toen Quack de woorden uitsprak 'en ziet, een man werd gevonden, die uw aller opdracht ging volvoeren' en hij hulde bracht aan De Vries ('den onvermoeiden arbeider en schepper van het Woordenboek'), trad deze binnen. Een stormachtige ovatie viel hem ten deel.

Na een voordracht door De Vries over het Woordenboek werd door E. Laurillard het voorstel gedaan om een Commissie van Bijstand in het leven te roepen. Belangrijkste taak van die Commissie moest worden de verwerving van fondsen en subsidies. De Vries en de redactie konden zich vervolgens zuiver en alleen met 'den wetenschappelijken arbeid' bezighouden.

In september en oktober 1887 werd de Commissie van Bijstand samengesteld. H.P.G. Quack werd voorzitter, A.C. Wertheim ondervoorzitter en dominee E. Laurillard secretaris.

De Commissie ging meteen aan het werk. Er werd een begroting gemaakt en een plan hoe men deze gelden bijeen zou kunnen krijgen. Uiteindelijk zou de redactie van het Woordenboek haar gelden moeten krijgen uit regelmatige subsidies van de twee staten Nederland en België. Er moest echter eerst geld worden gevonden voor een overgangsregeling van tenminste drie jaren. Twaalf duizend gulden was daarvoor nodig.

Op 29 november 1887 verstuurde de Commissie een circulaire aan 'enkele vermogende vrienden' met daarin 'de dringende vraag' of zij 'professor de Vries in zijn heerlijk werk' zouden willen steunen en of zij daarvoor drie jaren lang een bijdrage zouden willen toezeggen. De reacties waren gunstig.

Ook Zuid-Nederland liet zich niet onbetuigd. De Belgische regering beloofde boven de gewone subsidie extra toelagen. Het Nederlandse genootschap 'Felix Meritis', dat zich na een bestaan van meer dan hon- [189] derd jaar ontbond, gaf bij zijn liquidatie de som van ƒ 7000,-.

In de vergadering van 28 september 1889 kon men dan ook vaststellen dat de financiële situatie van het Woordenboek 'geene zorgen' bood. Op het 22ste Congres in Arnhem vertelde Quack dat particulieren een fonds bijeengebracht hadden van ƒ 18200,-. In 1893 was daar nog ƒ 5044,- van over.  'Natuurlijk moest dat fonds slinken. Het vormde den overgang om te komen tot een volkomen normalen geldelijken toestand', zei hij.

De Commissie van Bijstand hield zich behalve met financiële zaken ook bezig met andere punten. Hoog op de agenda stond van het begin af aan het streven om naast dr. A. Kluyver nog twee jonge letterkundigen aan hetWoordenboek te verbinden. Per 1 september 1888 vulden dr. A. Beets en dr. J.W. Muller de redactie aan. Hun jaarlijks inkomen was voor drie jaar gegarandeerd.

Op 28 november 1889, toen De Vries zijn 40-jarig doctoraat vierde, droeg hij bij overeenkomst alle rechten op het apparaat en materiaal van het Woordenboek aan de Commissie over. Bijna een jaar later, op 27 september 1890, kon de Commissie 'met dankbaarheid' vernemen, dat de redacteuren 'een vast lokaal' hadden verkregen, waar ook al het hulpmateriaal een plaats kon vinden. Het was een grote kamer in de Leidse universiteitsbibliotheek. In diezelfde vergadering werd besloten om een assistent aan te stellen.

Wederom werd besloten om de redactie uit te breiden 'zoodat die Redactie alsdan onder professor de Vries uit vijf vaste redacteuren zou bestaan'. Een van de nieuwe redacteuren zou een Vlaming moeten zijn. In de loop van 1891 kwamen inderdaad twee nieuwe redacteuren: dr. C.C. Uhlenbeck en W.L. de Vreese, de eerste Vlaming in de redactie. Vanaf 1 september 1891 gingen zij aan de slag.

In 1890 werd G-Gitzwart voltooid. Muller begon toen aan de B en Beets zette de letter G voort. Kluyver ging door met de letter O, die door de ziekte en de dood van Verwijs was blijven liggen. Uhlenbeck en De Vreese waren op dat moment nog in opleiding. De Commissie had op grond van deze ontwikkelingen de verwachting dat als alle redacteuren op volle toeren aan de arbeid waren, er zeven afleveringen per jaar konden verschijnen. Zij koesterde daarom de verwachting dat 'voor de geheele voltooing van het Woordenboek nog een groot vijf en twintig-tal jaren noodig [zal] weezen. Het geheele werk opgetrokken volgens de grondslagen door Professor de Vries gelegd [...] zal waarschijnlijk alsdan dertien deelen beslaan'.

Bij monde van Quack deed de Commissie van Bijstand in augustus 1891 verslag voor het 21ste Taal- en Letterkundig Congres in Gent. Quack deelde op 'allerwelsprekendste wijze' mee wat door de Commissie tot stand was gebracht. Hij kon vaststellen dat 'de bijenkorf' veilig was voor allerlei gevaren. Na allerlei onderhandelingen met de beide regeringen was besloten dat Nederland voor elke aflevering 1000 gulden betaalde en België 1000 franken. De uitgever betaalde per aflevering een honorarium van 200 gulden. 

[190] Het Woordenboek ging dus met kracht vooruit, concludeerde het congres tevreden. Voortdurend ging er 'een daverend bijvalsgejuich' 71 op. Vooral toen Paul Fredericq op de gedachte kwam om 'een welverdienden gelukwensch per draad' namens het congres te zenden 'aan den vader en schepper van het Woordenboek'. De `waardige en achtenswaardige grijsaard' zat in zijn stil studeervertrek te werken aan het woord argeloos. Getroffen antwoordde hij terstond de dankbare regelen, die later in de openbare zitting werden meegedeeld. Laurillard sprak zelfs enkele dichtregelen ter ere van de redactie van het Woordenboek uit:

Allengs rijst toch 't gebouw, dat, hoe hooger het rijst
Op zijn breden en krachtigen voet,
Des te luider de kennis der bouwlieden prijst,
Des te klaarder hun moed en volharding bewijst,
Des te wijderen kring tot erkentenis dwingt,
Wat ze bouwden, dat bouwden ze goed !.

Matthias de Vries overleed op 9 augustus 1892. Quack herdacht hem in augustus 1893 in de vergadering van het 22ste Taal- en Letterkundig Congres. Zijn dood was voor het Woordenboek een bittere slag, zei hij, maar, dankzij het oprichten van de Commissie van Bijstand kon het werk zonder storing voortgezet worden: 'De draden van het weefgetouw werden niet gebroken', aldus Quack .

De laatste jaren van zijn leven had De Vries in stille afzondering voortgewerkt aan zijn Woordenboek. 'Zoolang hij de pen kon voeren, tot het oogenblik dat de niemand en niets ontziende dood de hand, die zooveel voortreffelijks gewrocht had, verstijven deed', zo schreef Cosijn in De Gids. En hij eindigt: 'Hij wist het, het zou toch zijn Woordenboek zijn en blijven van A tot Z' .

* Dit artikel is eerder gepubliceerd in Trefwoord 1992 (3), 4-18, en is een uitgebreide en gewijzigde tekst van een lezing, die op dinsdag 15 juni 1992 voor het personeel van de Stichting Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden werd gehouden. Opnieuw verschenen in Nicoline van der Sijs (red.), Woordenboeken en hun makers (1998). De paginanummering van de laatste publicatie wordt tussen [ ] gegeven.

Voor haar medewerking aan de totstandkoming van dit artikel dank ik Lut Colman.

Noten

De noten bevatten doorgaans verkorte titels. De volledige literatuurverwijzingen zijn te vinden onder het kopje Literatuur.

1. Zie bijvoorbeeld Druyven 1982, 157, en 130 jaar Woordenboek der Nederlandsche Taal 1851-1981.

2. De Vries, Inleiding van het wnt [1882], II e.v. Zie ook: Van Sterkenburg 1984, 51-94

3. F.A. Vercammen, 149.

4. Thijm 1865, 2 e.v.

5. Vercammen, t.a.p.

6. Thijm 1882, 4 e.v.

7. Idem.

8Handelingen van het tweede Ned. Lett. Congres. Amsterdam. 1851, 171.

9. Vercammen 149; ook in Cath. Thijm, J.A. Alberdingk Thijm in zijn brieven geschetst 60 (noot 59).

10Ned. Spect. 1860, 381 b. Het noemen van De Jager lijkt mij onjuist, omdat hij lid was van Commissies ingesteld door het congres te Gent (1849) en te Amsterdam (1850) Ook wordt hier een verkeerd jaartal genoemd, 1851 i.p.v. 1850.

11. Kortheidswege wil ik niet inhoudelijk ingaan op de denkbeelden die De Vries hier ontvouwde. Zij staan uitgebreid in de Inleiding van het wnt. Zie ook: Noordegraaf 1980.

12. De Vries, Ontwerp 87.

13. Karsten 122.

14. Karsten 117.

15. Karsten 137; ook in Verslagen en Mededelingen van de Kon. Vlaamsche Academie 1902, 91.

16. Bakhuizen v.d. Brink, Studiën en Schetsen 3, 451.

17. Idem 3, 453.

18Verslag der Redactie 1854, 9.

19Verslag der Redactie 1860, 40.

20. Verslag der Redactie 1862, 38.

21. Karsten 129 met verwijzing naar het verslag van dit congres 6.

22. Moltzer 1878, 187 e.v. Hij baseerde deze beschrijving op het Verslag der Redactie 1862, 32 e.v.

23Verslag der Redactie 1862, 33.

24. J. ter Gouw, De Volksvermaken 686 [1871].

25. Geciteerd naar Karsten 134 en 135.

26. De Beer 1877, 237.

27. Flanor in Ned. Spect. 4 Oct. 1879.

28. Van Vloten, Woordenboeksgrieven p. 13.

29. Van Vloten, a.w. 2.

30. Van Vloten, t.a.p.

31. De Vries, Inleiding IX.

32. Van Vloten, a.w. 5.

33. Van Vloten, a.w. 1. Oorspronkelijk in De Humanist 1883, 611. Ook in Karsten 137 en 138.

34. De Vries, Inleiding van het wnt [1882], XXXI.

35. De Vries, ald. XXXII.

36. Karsten, 139.

37. Karsten 138 en 139, Handelingen der Staten Generaal, Tweede Kamer, 1884, 609.

38. Thijm 1882, 6.

39. Verslag der Redactie 1854, 10.

40. Ald. 11.

41. Verslag der Redactie 1862, 5 e.v.

42. Ned. Spect. 1860, nr. 48, 381 e.v.

43. Thijm 1864, 50.

44. Karsten 127. Hij baseert het vermoeden op een brief van Thijm aan De Vries d.d. 28 december 1860, waarin o.a.: `Diep geërgerd heeft mij het gedrag van Bakhuizen'.

45Ned. Spect. 1860, nr. 48, 381 b.

46. Geciteerd naar Thijm 1864, 50.

47Verslag der Redactie 1862, 6.

48. Verslag van de zitting in Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer, Bijblad 1860, 412-414 (zitting van 5 december), ook Thijm 1864, 46-56, en Karsten 125.

49. De Vries, Inleiding XXVII en Verslag der Redactie 1862, 15.

50Verslag der Redactie 1862 Bijlage 46 e.v.

51Verslag der Redactie 1862, 17.

52. De Vries, Inleiding XXXIII e.v.

53. De Vries, t.a.p.

54Ned. Spect. 4 October 1879 nr.40, 322-323.

55. De Beer 1877, 241.

56. Moltzer 1878, 187-198.

57Handelingen van het XVIIde Congres 294 en Karsten 135.

58. Karsten 135.

59. Moltzer 1878, 187-198.

60Rond den Heerd 1881-1882, 498 en Vercammen 152. Hier geciteerd naar Karsten 136.

61. Karsten 141 met verwijzing naar een artikel van J. Jacobs, `Het Woordenboek der Nederlandsche Taal' in: Versl. en Meded. der Kon. Vlaamsche Academie 1936, 787 e.v. Over de ambivalente relatie tussen het wnt en de Vlamingen, zie ook: Rob Tempelaars, `Tussen droom en daad, met wetten en bezwaren' in: Taal en Tongval, Themanummer 4 [1991], 137-154.

62. Karsten 136.

63. Quack, Herinn. 418. 

64. Quack, a.w. 421 en J. ter Brink, `Het XXIIe Taal- en Letterkundig Congres te Gent' in: Haagsche Stemmen 5 September 1891 (no. 36), 467-481.

65Handelingen van het XXIIste Nederlandsch taal- en Letterkundig Congres 1893, 2.

66. Quack, t.a.p. 

67. Karsten 139 en 141. Reeds in 1885 kwam Beets De Vries te hulp, maar dat was voor heel even. Vanwege geldgebrek moest hij na een half jaar de redactie weer verlaten. Karsten (140) noemt hier een brief van De Vries aan Hubrecht d.d. 30 november 1885, waaruit blijkt dat hij zeer ingenomen was met de komst van Beets `om de stylistische rechten der taal te handhaven, die ik altijd met alle kracht verdedigd heb, maar die na mijn overlijden wel eens door de meer geleerde en formeele taalkunde overvleugeld zouden kunnen worden'. Pas in 1888 kon Beets worden aangesteld, gelijk met J.W. Muller.

68Verslag v.d. Commissie van Bijstand 23 Augustus 1891, 10 en 11.

69Eerste Verslag der Commissie van Bijstand van het Woordenboek van Professor de Vries. 25 Augustus 1891. Gent: A. Siffer, 1892. 

70. H.P.G. Quack in: Handelingen van het XXIIste Nederlandsch Taal- en Letterk. Congres 1893, 3 (overdruk)

71. Jan ten Brink, `Het XXIe Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres te Gent' in: Haagsche Stemmen 4, nr. 36 (5 September 1891, 478.

72. Idem.

73. H.P.G. Quack in Handelingen van het XXIIe Congres, 1893, 1 (overdruk).

74. Cosijn 1892, 251.

LITERATUUR

A. Contemporaine literatuur (tot ca. 1892)

I. Archieven

Aerssen, J.M.H., Practisch Handboekje ten gebruike dergenen, die de Regeling der Spelling voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal spoedig en gemakkelijk willen aanleeren. Leiden, D. Noothoven van Goor, 1866 [handschrift].

Brink, Jan ten, 'Het XXIe Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres te Gent' in: Haagsche Stemmen, 5 September 1891, No. 36, 467-481.

Eerste verslag der Commissie van Bijstand van het Woordenboek van Professor de Vries. 25 Augustus 1891. Gent: A. Siffer, 1892.

'M. de Vries 9 November 1820-9 Augustus 1892', in: Leidsch Dagblad 11 Augustus 1892.

Proeve van een Congres-Woordenboek, in: De Amsterdammer 10 September 1893 [kranteknipsel].

Prospectus van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. September 1864

Request aan de Ministers van Binnenlandsche Zaken in Nederland en België, door de Regelings-Commissie van het XVIIde Taal- en Letterkundig Congres te Mechelen, d.d. 20 October 1879.

Vloten, J. van, Aan de redactie van 't Nederlandsche Woordenboek. (Deventer, 3 Maart 1863) [Gedrukte brief].

M. de Vries, Ontwerp van een Nederlandsch Woordenboek. Verslag der Commissie in de vergadering van het derde Nederlandsch Letterkundig Congres, te Brussel, den 31 Augustus 1851. Groningen: K. de Waard, 1852.

M. de Vries, Verslag der Redactie van het Nederlandsch woordenboek, omtrent den staat harer werkzaamheden van 1 januarij 1852 tot 1 Augustus 1854In de vergadering van het vierde Nederlandsch Letterkundig Congres, te Utrecht, den 22 September 1854, voorgedragen door - . Haarlem, A.C. Kruseman, 1854.

M. de Vries, Verslag der Redactie van het Nederlandsch Woordenboek, omtrent den staat harer werkzaamheden, van 1 Augustus 1854 tot 1 Julij 1856. In de vergadering van het vijfde Nederlandsch Letterkundig Congres, te Antwerpen, den 16 Augustus 1856, voorgedragen door - . Haarlem: A.C. Kruseman, 1856.

Vries, M. de, Verslag der Redactie van het Nederlandsch Woordenboek, omtrent den staat harer werkzaamheden, van 1 julij 1856 tot 1 julij 1860. In de vergadering van het zesde Nederlandsch Congres, te 's Hertogenbosch, den 11 September 1860, voorgedragen door - . Haarlem: A.C. Kruseman, 1860.

M. de Vries, Verslag der Redactie van het Nederlandsch Woordenboek, omtrent den staat harer werkzaamheden, van 1 Julij 1860 tot 1 Julij 1862. In de vergadering van het zevende Nederlansch Letterkundig Congres, te Brugge, den 10 September 1862, voorgedragen door - . Haarlem: A.C. Kruseman, 1862.

M. de Vries en L.A. te Winkel, Proeve van het Nederlandsch Woordenboek. Leiden, Juni 1863 ['voor den boekhandelaar Frederik Muller gedrukt bij de Gebroeders Binger, Amsterdam 1863'] UBL 1165 A 42 (Bibl. Maatsch. Ned. Letterk.).

Vries, M. de, Mededeelingen en opmerkingen betreffende het Nederlandsch Woordenboek. In de vergadering van het achtste Nederlandsch Letterkundig Congres te Rotterdam, den 12 September 1865, voorgedragen door - . 's-Gravenhage, Leiden, Arnhem: M. Nijhoff, A.W. Sijthoff, D.A. Thieme, 1865.

II. Boeken

Frijlink, H., Het ontstaan der spelling voor het aanstaande Nederlandsch Woordenboek beschouwd door - met en blik tevens op de aanteekeningen en vingerwijzingen van de Heeren Dr. B. Huydecoper en G. Kuijper Hz. over dit onderwerp. Amsterdam, 1863 [UBL Kl. Geschr. S 334].

Jager, A. de, Mijne toetreding tot de spelling van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Deventer: A. ter Gunne, 1867 [brochure 15 pp.].

Toe Laer, H.E., Twee bedrogen volken of Mr. Corver Hooft tegen het Woordenboek. Amsterdam: z.u., 1880.

Vloten, J. van, Nederlandsche Spelling- en Woordenboeksgrieven; de waarheid aan en omtrent Dr. M. de Vries. Haarlem: I. de Haan, 1883.

III. a. Artikelen

Alberdingk Thijm, 'De "Konst'' en de "Heeren''' in: Dietsche Warande 6 [1864], 45-65.

Beer, Taco H. de, 'Het woordenboek' in: Noord en Zuid 1877, 234-141 Beets, A., `Een Zweed over Het Woordenboek' in: De Nederlandsche Spectator 25 juli 1896 (No. 30), 238a.

Claes, D., 'Woordenboek der Nederlandsche Taal' in: De Vlaamsche Kunstbode 31 [1901], 225 en 333.

Cosijn, P.J., 'Ter Herinnering aan Matthias de Vries' in: De Gids 4 [1892], 229-252.

Flanor, 'Vlugmaren' in: De Nederlandsche Spectator, 4 October 1879 (No. 40), 322b-323b.

Franken, Joh., 'Woordenboek der Ned. Taal' in: Noord en Zuid XI [1888], 156.

Het Groote Woordenboek, in: Neerlandia. Orgaan van het Algemeen Nederlandsch Verbond 11 [juni 1907], 6, 97-98.

Het Groote Woordenboek, in: Nieuwe Rotterdamsche Courant [Wetenschappelijke Berichten] 8 November 1906, Eerste Blad B, en 5 juli 1907.

Hiel, Emanuel, 'Le Dictionnaire Général de la langue Néerlandaise et Le Dictionnaire Néerlandais au Moyen Age' in: Revue Trimestrielle 2e Série, IIIe Volume, Juillet 1864, 1-15.

Kluyver, A., 'Ter Herinnering aan Matthias de Vries' in: De Gids 9 [1899], 229-252.

Kluyver, A., Verslag over het Woordenboek der Nederlandsche Taal op het XXVe Taal- en Letterkundig Congres te Gent in 1899.

Kluyver, A., 'Das niederländische Wörterbuch. (Woordenboek der Nederlandsche Taal.)' in: Zeitschrift fuer deutsche Wortforschung herausgegeben von Friedrich Kluge. VII. Band, 4. Heft, Maerz 1906, 334-341.

Kollewijn, R.A., 'Onze lastige spelling. Een voorstel tot vereenvoudiging' in: Vragen van den Dag 1891.

Muller, H.C., 'Over opzet en inhoud van het Groote Woordenboek der Nederlandsche Taal' in: Het Schoolblad, weekblad voor lager, middelbaar en gymnasiaal onderwijs 38, No. 29 (22 juli 1909), 914-918 en No. 30 (29 juli 1909), 947-949.

Muller, J.W., 'Eisen en bezwaren der wetenschappelijke lexicografie' in: Taal en Letteren 1899, afl. 5, 193-220.

Muller, J.W., 'Matthias de Vries' in: Jaarboekje voor de Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Rijnland [Leidsch Jaarboekje] 7 [1910], 1-32.

Pekelharing, B.H. 'Het Woordenboek der Nederlandsche Taal' in: Vragen des Tijds November 1909.

Quack, H.P.G. [Tekst van een rede van - ] in: Handelingen van het XXIIe Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres 1893. Arnhem: P. Gouda Quint.

Saint-Genois, M., 'Le nouveau dictionnaire Néerlandais de Mm. De Vries et Te Winkel' in: Bulletin Académie Royale de Belgique 2me Série, t. XVIII, No. 7 [1864].

Verslag en voorstel van Coopman en De Vreese, in: Verslagen en Mededeelingen Kon. Vl. Academie (Gent) 1898, 91-103.

Het Woordenboek in: Het Volksbelang, zaterdag 27 Februari 1892.

Vloten, J. van, 'Dr. M. de Vries en zijn zoogenaamde levenstaak' in: Levensbode 3 [1868], 481-494.

b. Boekbeoordelingen, aankondigingen e.d.

Alberdingk Thijm, J.A., 'Het Nederlandsche Woordenboek' [Jan. 1865] in: De Gids 1865. Recensie wnt Dl. I, afl. 1.

Alberdingk Thijm, J.A., 'Het Woordenboek der Nederlandsche Taal. De inleiding van Dr. M. de Vries' in: De Gids 1882, no. 11.

Claes, D., 'Taalkundige aanmerkingen' in: Dietse Warande en Belfort 1 [1900], 297.

Coopman, Th., 'Woordenboek der Nederlandsche Taal' in: Versl. en Meded. Kon. Vlaamsche Academie 1890, 207-215

Moltzer, H.E., 'Woordenboek der Nederlandsche Taal. Derde reeks. Zevende aflevering. Gekken tot gelegenheid bewerkt door P.J. Cosijn, E. Verwijs en M. de Vries. 1878.' in: Noord en Zuid II [1878], 187.

Rau, S.J.E., Eenige taal- en dichtkundige aanmerkingen, naar aanleiding van de twee eerste afleveringen van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Z.p., z.j.

B. Hedendaagse bronnen over het wnt tot 1892.

I. Boeken

130 jaar Woordenboek der Nederlandsche Taal 1851 - 1981. De briefwisseling tussen Matthias de Vries en Jacob Grimm 1852 - 1863. Bewerkt door C. Soeteman. Leiden: INL, 1982.

Karsten, Gert, 100 jaar Nederlandse Philologie. Matthias de Vries en zijn school. Leiden: Nederlandsche Uitgeversmaatschappij, 1949.

Knuttel, J.A.N., Levensloop. Leiden: Wetenschapswinkel RUL, 1989.

[Quack, H.P.G.], Herinneringen uit de levensjaren van Mr. H.P.G. Quack 1834-1914. Nijmegen: SUN, 1977.

Sterkenburg, P.G.J. van, Van Woordenlijst tot Woordenboek. Leiden: Brill, 1984.

II. Artikelen

Druyven, Th., 'Samenspraak bij de Hollandsche Spraakleer. Over W.G. Brill en de samenwerking met M. de Vries bij de totstandkoming van de Hollandse Spraakleer [1846]' in: Studies op het gebied van de geschiedenis van de taalkunde. Onder redactie van L. van Driel en J. Noordegraaf. Kloosterzande: z.j. (1982), 157-173.

Harmsen, G., 'Dr. J.A.N. Knuttel' in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1968 - 1969. Leiden: Brill, 1971, 144 e.v. Ook in: G. Harmsen, Nederlands Kommunisme. Nijmegen: SUN, 1982, 305 e.v.

Heestermans, H.,  'Het wnt en de Taal- en Letterkundige Congressen' in De Negentiende Eeuw 5 [1981], 2 (augustus), 72-85.

Helvoort, J.R. van, 'Over L.A. te Winkel' in: Studies op het gebied van de geschiedenis van de taalkunde (zie boven bij Th. Druyven), 174-192.

Mulder, E.F., 'De eerste generatie redacteuren van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (wnt). Matthias de Vries: stichter van een "taalmuseum''' in: Jaarboek INL. Overzicht van het jaar 1976, 39-52.

Noordegraaf, J., 'De taaltheorie van Matthias de Vries' in Glot 3 [1980], 47-66.

Sterkenburg, P.G.J. van, 'Lambert Allard te Winkel (1809 - 1868)' in: Jaarboek INL. Overzicht van de jaren 1977 en 1978, 89-91

- , 'Eelco Verwijs (1830 - 1880)' in: Idem, 93-95.

- , 'Pieter Jacob Cosijn (1840 - 1899)' in: Idem, 97-100.

Tollenaere, F. de, Augustijn Lodewyckx, Jaarboek INL. Overzicht van het jaar 1989, 104-121.

Wortel, T.P.F., 'Dr. J.A.N. Knuttel, peuterige kamergeleerde tussen Marx en Kluyver' in: Jaarboek INL. Overzicht van de jaren 1981 en 1982. Leiden: INL, 1984, 66-85.

Wortel, T.P.F., 'Van Vloten, venijnige vijand van De Vries' in: Variaties op V. Bundel uitgebracht ter gelegenheid van de viering van de voltooiing van de letter V van het Woordenboek der Nederlandsche Taal 29 november 1988, 62-68.

Wortel, T.P.F., 'Knuttel en het Woordenboek' in: Jaarboek INL. Overzicht van het jaar 1987. Leiden: INL, 1989, 101-111.

Mooie woorden

“Nowhere is it ordained that history moves in a straight line.”

“Nearne is fêstlein dat skiednis yn 'e rjochte line bewege moat.”
Barack Obama (1961-)


Frysk Frysk