Een kleine taal, een groot woordenboek!
Al sinds 1938 wordt er bij de Fryske Akademy (FA) gewerkt aan het Wurdboek fan de Fryske Taal/Woordenboek der Friese Taal (WFT). Voor een minderheidstaal als het Fries is dat een unieke onderneming. Wanneer het hele project klaar is, zullen in 24 delen, van 400 pagina's elk, meer dan 125.000 woorden beschreven zijn. Daarvoor zullen dan meer dan 50 miljoen tekens nodig zijn, oftewel meer dan 50 miljoen letters, leestekens, spaties, enzovoorts. Dat is beduidend meer dan een woordenboek met de grootte van ongeveer de Nederlandse Van Dale, waar in het begin van het project aan gedacht werd.
Voorgeschiedenis
Net als de meeste woordenboeken, staat het WFT op de schouders van eerdere woordenboeken. Welbeschouwd begint de geschiedenis van het WFT al bij dominee en taalman Joast Hiddes Halbertsma (1789-1869). Hij was de eerste die uitgebreide verzamelingen Nieuwfries taalmateriaal aanlegde en ook de eerste die zulk materiaal in woordenboekvorm beschreef. Zoon Tsjalling heeft in 1872 postuum het Lexicon Frisicum bezorgd met materiaal dat zijn vader al in handschrift klaar had, het gedeelte A tot Feer. De voertaal van het Lexicon was het Latijn, daardoor was het voor het overgrote deel van de Friezen niet toegankelijk. Dat was jammer, omdat er in die tijd veel belangstelling was voor de studie van het Fries. In 1879 besloten Gedeputeerde Staten van Friesland dat er een compleet woordenboek van het Nieuwfries zou komen, met als uitgangspunt het Lexicon Frisicum en het aan de provincie Friesland nagelaten woordenboekmateriaal van Halbertsma. Dat nieuwe woordenboek, het Friesch Woordenboek, werd geschreven door Waling Dykstra (1821-1914), die daarbij hulp kreeg van anderen. Het eerste deel kwam uit in 1900 en het derde en laatste deel in 1911. Tamelijk gauw kwam de kritiek op het Friesch Woordenboek los, en er werd aangedrongen op een
vollediger woordenboek. Uiteindelijk zou dat in 1938 mede uitlopen op het oprichten van de Fryske Akademy, die als hoofdproject het wetenschappelijke Wurdboek fan de Fryske Taal/Woordenboek der Friese Taal zou aanpakken. In dat WFT wordt weer het materiaal uit de handschriften en het woordenboek van Halbertsma opgenomen, en ook het hele Friesch Woordenboek. Zo komt, via een omweg en meer dan honderd jaar later, Halbertsma's materiaal toch nog voor iedereen beschikbaar.
Het begin
Eind 1938 kwam FA-voorzitter Sipma met een plan om een groot alfabetisch ingericht kaartsysteem op te zetten, dat de woorden moest leveren voor het nieuwe woordenboek. In dat kaartsysteem zou, zo volledig mogelijk, alle Fries, inclusief de dialecten, van nu en eerder (in de praktijk vanaf 1800) vastgelegd moeten worden. In elk geval het materiaal uit bestaande woordenboeken, studies, verzamelingen etc. moest worden opgenomen. Verder zou aandacht gegeven moeten wor den aan vaktalen, dialectwoorden, spreekwoorden en zegswijzen. Het plan was zo groot van opzet dat het niet anders dan met de hulp van vrijwilligers uitgevoerd kon worden. Die vrijwilligers waren vooral druk bezig met het excerperen van boeken en andere teksten, dat wil zeggen dat ze al lezend woorden en uitdrukkingen noteerden die hen voor het woordenboek van belang leken. De vrijwilligers hebben zich geducht geweerd. In 1954 zaten er al 300.000 kaartjes in het kaartsysteem. Maar dat bleek toch nog te weinig te zijn als basis voor een wetenschappelijk woordenboek. Voor een deel kwam dat omdat de excerpeurs wel veel bijzondere en zeldzame woorden en uitdrukkingen hadden opgetekend, maar bijna geen 'gewone' woorden, zoals de lidwoorden (de, it [het] en in [een]) en de voorzetsels (bijvoorbeeld yn [in] en op). Toen werd besloten om een tweede kaartsysteem op te bouwen waar tekstgedeelten integraal in opgenomen moesten worden. Met de hulp van vrijwilligers werd in de jaren 1956 tot en met 1958 een tweede kaartsysteem opgebouwd, het zogenaamde trochsneedapparaat' [doorsnee-apparaat]. Daar kwamen toen alle woorden in uit een selectie van 4875 pagina's tekst uit het tijdperk 1800 - 1950. Dat leverde bijvoorbeeld voor het woordje de 60.000 en voor in 16.000 vindplaatsen op. Uiteindelijk is in de beide kaartsystemen materiaal verwerkt uit meer dan 1200 boeken, artikels, kranten etc. Met het 'trochsneedapparaat' had de FA een voor die tijd zeer modern stuk gereedschap in huis.
Het schrijven begint
Eind 1958 kwam er wat meer tekening in de opzet, vorm en inhoud van het woordenboek. Er werd toen gedacht aan een woordenboek van het Fries vanaf 1800, met ongeveer de grootte van een Van Dale. In 1960 kon, eindelijk, het schrijven beginnen. Het ging evenwel, mede door gebrek aan personeel, al gauw niet zo snel meer. In de zeventiger jaren werd de personele situatie aanmerkelijk beter. In 1977 waren er zes redacteuren. Toch zou het nog tamelijk lang duren voor het eerste deel uitkwam. Dat kwam onder andere omdat het oudste kaartsysteem door de jaren heen aanzienlijk uitgebreid was. Zodoende moesten de eerdere conceptwoordenboekteksten nogal eens worden aangevuld. Een andere belemmering voor de publikatie van het eerste deel van het WFT was de in 1976 aangekondigde spellingswijziging die van kracht werd in 1980. Voor de redactie betekende dat, dat vele al beschreven woorden (lemma's) in het woordenboek herspeld en verplaatst moesten worden.
Voertaal
Sipma bracht omstreeks 1960 de voertaal van het woordenboek aan de orde. Hij meende dat het Fries de voertaal moest zijn en dat sloeg in als een bom. In de toenmalige woordenboekcommissie kon men het niet eens worden over de voertaalkwestie. Sommige leden kozen om wetenschappelijke en ideologische redenen voor het Fries. De woordenboekredacteuren die in die commissie zaten, waren voor het Nederlands als voertaal, omdat volgens hen daarmee de Friese woorden eenvoudiger en vooral korter omschreven konden worden. Het woordenboek zou met het Nederlands als voertaal ook toegankelijker zijn voor niet-Friestaligen. Het bestuur van de Fryske Akademy legde de beslissing in handen van directeur Brouwer. Die koos om praktische en financiële redenen voor het Nederlands als voertaal. Het bestuur nam die keuze over. Het laatste woord over de voertaal van het woordenboek was evenwel nog niet gezegd. In 1982 werd de voertaal kwestie weer actueel. Dat veroorzaakte veel opwinding in FA-kringen en daarbuiten. Het grootste deel van de toen zittende woordenboekredactie was om praktische redenen op verfriesing van het WFT tegen. Een meerderheid van het hoofdbestuur van de FA was echter voor verfriesen en in januari 1983 werd besloten om de voertaal van het WFT te veranderen, maar de minister van Onderwijs en Wetenschap pen stak daar een stokje voor. Het bestuur legde zich bij het besluit van de minister neer.
Toen de voertaalkwestie beslist was, was er niets meer dat de publikatie van het WFT in de weg stond. Eind 1984 kon eindredacteur Klaas van der Veen het eerste deel van het WFT aanbieden aan de koningin.
Wetenschappelijk
Het WFT zoals het uiteindelijk geworden is, kan worden omschreven als: een wetenschappelijk, alfabetisch ingericht, in het Nederlands verklarend, historisch woordenboek, dat de periode 1800-1975 beschrijft. De beschrijving van de woorden is gebaseerd op het materiaalvan de beide kaartsystemen. Alle betekenissen van een woord worden als het ware bewezen door er citaten bij te geven waaruit een betekenis moet blijken. Door die citaten kan de gebruiker het werk van de woordenboekschrijver controleren. Vanwege de mogelijkheid die het WFT geeft tot controle, wordt het een wetenschappelijk woordenboek genoemd. Door de keuze voor het Nederlands als voertaal heeft het woordenboek wat een dubbel karakter gekregen. Aan de ene kant is het een verklarend woordenboek, doordat er omschrijvende definities wor den gebruikt, en aan de andere kant is het een vertaalwoordenboek, doordat er vaak wordt volstaan met een vertaling. Dat laatste is vooral het geval bij samengestelde woorden. In de latere delen van het WFT is het trouwens hoe langer hoe meer gebruik geworden om betekenis omschrijvingen te geven in plaats van een korte vertaling.
Taalmuseum
Voor een deel heeft het WFT de functie van taalmuseum. Via de taal, de woorden, geeft dat museum de lezer een beeld van de Friese maat schappij. Een steeds wisselend beeld, omdat elke periode zijn eigen woorden heeft. Wij willen nu eenmaal graag alles wat om ons heen gebeurt en alles wat wij om ons heen zien, kunnen benoemen. Ver anderen de dingen om ons heen, dan verandert onze taal mee. Voor nieuwe dingen komen nieuwe woorden en woorden voor dingen die niet meer van onze tijd zijn, verdwijnen. Het WFT geeft ons de mogelijkheid om via de veranderende woordenschat de veranderende maat schappij, in het groot en in het klein, te volgen. Doordat de citaten een jaartal bij zich hebben, kunnen we globaal bepalen wanneer zekere veranderingen zich hebben voorgedaan.
Een van de dingen die alsmaar veranderen, is de mode in de kleding. Het WFT legt het vast. We lezen dat de mensen omstreeks 1900 degelijke en sterke onderkleding droegen van de blauwe, wit-gespik kelde stof divel- of izersterk. De dateringen van de citaten van het woord himdrok laten zien dat de mannen dat kledingstuk in de 19de eeuw tussen hemd en bovenkleding droegen. Zo begrijpen we plotse ling ook beter hoe het spreekwoord 'It himd is my neier as de rok' [het hemd is nader dan de rok] is ontstaan. Vrouwen met een kind aan de borst gebruikten vroeger een boarstlape om warm te blijven.
Het WFT geeft ook aan dat de milieuregels niet altijd zo streng zijn geweest als nu. De boeren van vandaag zitten danig in hun maag met de mest. Uit het WFT leren we dat het vroeger niet zo'n probleem was. Toen lieten ze het gewoon naar de jarrefeart of -sleat [giersloot] lopen om het daar te bewaren.
Interessant is ook het indirecte beeld dat het WFT geeft van het maatschappelijk taboe op godslasteren. Om dat taboe te omzeilen en toch eens op een kernachtige manier het gemoed te kunnen luchten, bedacht men een hele serie bastaardvloeken. Het WFT doet er trouw verslag van. De oogst uit deel 10: jakkes, jammele, jandoarje, jandoasje(my), jandomme, jasses(krastes), jemeny(joasje), jemis (kremis), jeukes(kreukes) en jokes.
Liefhebbers van volksgeloof kunnen in het WFT te kust en te keur. In deel 10 lezen we dat zwarte katten leed brengen en witte katten geluk. Maar wees voorzichtig met kattehaar, want daar krijg je tering van. Dromen van kiezen die uit je mond vallen betekent dat er iemand van de naaste familie zal sterven. Een schroef uit een doodskist, of een ring die van zo'n schroef gemaakt is, helpt tegen de jicht en een levende kikker is een uitstekende remedie voor blikgatsmerte, oftewel pijn als gevolg van een ontveld zitvlak.
Computer
Tot ongeveer 1985 schreef elke redacteur van het WFT zijn woorden boektekst met de pen. De
woordenboekstaf is echter met zijn tijd meegegaan en nu zit iedereen aan het toetsenbord van de computer. Alle nog met de hand geschreven tekst wordt ook in de computer ingevoerd. Op die manier ontstaat er een computerversie van het uiteindelijke papieren woordenboek. Voor de woordenboekschrijver, de taalkundige en andere onderzoekers geeft dat grote mogelijkheden. Men kan namelijk de computerversie van het woordenboek op alle mogelijke manieren doorzoeken en ordenen. De taalkundige die onderzoek doet naar woordvorming, kan de woorden ordenen op be paalde uitgangen (bijvoorbeeld alles op -ens en op -heid). De woordenboekschrijver kan door het opzoeken van woorden met hetzelfde laatste deel meer systematiek in zijn betekenisomschrijvingen brengen. Iemand die geïnteresseerd is in vaktaal laat de computer zoeken op het teken dat zulke termen in het WFT aangeeft, bijvoorbeeld dat van bouw kundige termen, termen uit de muziek of uit de beesten- of planten wereld. Wie zoekt op het Nederlandse lopen, kreupelen, hinken, etc., zal ontdekken dat het Fries honderden woorden en uitdrukkingen heeft die met rinne [lopen] te maken hebben.
Tot besluit
Wanneer het WFT klaar is, is er wat volbracht waar Friesland trots op kan zijn. De vakgroep 'Leksikografyske Projekten' van de Fryske Akademy zal daar niet te lang bij stil kunnen staan. Nu al wordt er gewerkt aan een Fries-Fries en een Fries-Engels woordenboek (mede op basis van WFT-materiaal) en er wordt al weer nagedacht over een Middelfries woordenboek, dat de periode 1550-1800 zal beschrijven. Verder is het de bedoeling dat er nog een Oudfries woordenboek zal komen. Wanneer die beide laatste woordenboeken er zijn, zal eindelijk Halbertsma's ideaal, het beschrijven van het Fries van alle tijden, een feit zijn.
“Mei syn fiif sintugen ferkent de minske de wrâld om him hinne en neamt dat aventoer Wittenskip.” Edwin Powell Hubble (1889-1953)