Skip to main content Skip to page footer

Ferlern... Ferlernsto of ferlearsto de wedstriid? Foto: Rico/Pixabay

Friese werkwoorden: 'Ferlern... Ferlernsto of ferlearsto de wedstriid'?

‘Ferlern!’ Duidelijke taal na afloop van een wedstrijd. 'We hawwe ferlern', we hebben verloren. Het voltooid deelwoord 'ferlern' komt natuurlijk vaak voor, veel vaker dan de andere vormen van het werkwoord. Dus hoe zat het eigenlijk weer met de verleden tijd? 'Ferlernsto de wedstriid'? Of 'ferlearsto de wedstriid'? Of weet je het eigenlijk niet meer?

 

Dit artikel is door Anne Merkuur geschreven voor ons ledenblad 'Ut de Smidte' (Simmer 2026).

 

Het is niet altijd eenvoudig een zo'n afwijkende vorm paraat te hebben, als je in de praktijk bijna alleen het voltooid deelwoord ‘ferlern’ gebruikt. Een kleine rondje langs wat vrienden en collega's liet dat ook mooi zien. Wat blijkt? De meesten mijden de verleden tijd gewoon. Die houden het veilig (en koppig!) bij ‘Ik ha ferlern’ of ‘Do hast ferlern’. Een andere werkwoordstijd lijkt voor hen bijna overbodig geworden. Sterker nog, ze weigeren die zelf te vormen.

Maar er was ook een klein groepje van mensen dat iets bijzonders deed, opvallend genoeg allemaal rasechte Zuidwesthoekers (Súdwesthoekers). Die blijken moeiteloos ‘ik ferlernde, do ferlerndest, wy ferlernden’ te zeggen. FVormen die voor andere sprekers vreemd aandoen, en soms zelfs als fout worden beschouwd. Want wie Friese les heeft gehad heeft meestal geleerd: ‘hjoed ferlies ik, juster ferlear ik, foarige wike haw ik ferlern’. Een klassiek onregelmatig werkwoord, met drie verschillende stammen.

Beroemd

In het (historisch) Woordenboek van de Friese Taal (WFT) wordt echter ook een variant van dit werkwoord genoemd: het zwakke werkwoord ‘ferlerne’ (verloren). Dat heeft een eigen regelmatig paradigma: ‘hjoed ferlern ik’, ‘juster ferlernde ik’, 'foarige wike haw ik ferlernd' ('vandaag verlies ik', ‘gisteren verloor ik’, ‘vorige week heb ik verloren’). Zo'n zwak paradigma wordt in de nieuwste woordenboeken niet meer genoemd. Maar vooral die laatste twee vormen sluiten wel duidelijk aan bij wat we bij onze Zuidwesthoekse vrienden en collega's horen. De Zuidwesthoek is immers ook beroemd om het toevoegen van de zwakke -d achter een deelwoord als ‘ferlern’ (vergelijk 'sjoend', 'diend' en 'seind' - ‘gezien’, ‘gedaan’ en ‘gezegd’). Zowel ‘ferlende’ en ‘ferlernd’ zijn dus niet zomaar verkeerd en hebben wel degelijk een plek (gehad) in de beschreven taal.

Tegelijkertijd lijkt dit niet helemaal een goede verklaring. De tegenwoordige tijdsvorm ‘hjoed ferlern ik’ ('vandaag verlies ik') komt namelijk bij ons weten in de praktijk niet of nauwelijks (meer) voor, en wij vinden deze bijvoorbeeld ook niet in de taaldatabank van de Fryske Akademy. De vrienden en collega's die moeiteloos 'ferlernde' zeggen, gebruiken ook in de tegenwoordige tijd gewoon ‘ferlies ik’ ('verlies ik'). Daar lijkt dit zwakke paradigma dus niet volledig te zijn.

Mogelijke verklaringen

Dat brengt ons bij twee mogelijke verklaringen. De eerste is dat voormalige grammatici misschien iets te snel hebben geconcludeerd dat hier sprake is van een volslagen zwak werkwoord. Op basis van een beperkt aantal vormen kan een dergelijke conclusie al snel worden getrokken, terwijl het misschien wel om een gemengd systeem gaat, waar alleen sprake is van een overgeneralisatie vanuit het voltooid deelwoord naar de verleden tijd. De Zuidwesthoekse deelwoordsvorm heeft voor mensen aangevoeld als een gewone regelmatige vorm op -d (vergelijk: ‘it hat reind’ - ’het heeft geregend'), waardoor ‘ferlern werd geïnterpreteerd als (verledentijds)stam, die in de verleden tijd regelmatig wordt vervoegd tot: ‘ferlern-de’ (vergelijk: ‘reinde’ - ‘regende’).

Maar het kan natuurlijk ook zijn dat er oorspronkelijk wel een helemaal zwak, zuidwestelijk paradigma heeft bestaan ('ferlern, ferlernde, ferlernd' - ‘verloren, verlorende, verlorend’), maar dat de tegenwoordige tijdsstam ‘ferlies’ ('verlies') er ingedrongen is vanuit het Standaardfries. In dat geval hebben we te maken met een vorm van taalcontact binnen één taalgebied, waar een standaardvorm een plaatselijke variant vervangt. Het helpt daarbij vast ook mee dat ‘ferlies’ sterk lijkt op de Nederlandse stam ‘verlies’.

Van welk scenario hier sprake van is, is niet direct duidelijk. Wat in ieder geval opvalt, is dat sprekers heel pragmatisch én verschillend met deze vormen omgaan. Het deelwoord ‘ferlern’ is dominant, dus wordt de verleden tijd vaak vermeden, en wie hem toch gebruikt, kan uit meer dan één mogelijkheid kiezen. Dit geeft, op de kleine schaal van één werkwoord, een mooie inkijk in hoe taal werkt. En als wij het in sporttermen houden: de eindstand is 1-0 voor het onregelmatige werkwoord.